De eerste schriftelijke bron van ‘Dat gaat naar Den Bosch toe’, zoals we dat nu kennen, is de liedbundel ‘Gezelschapsliederen Oud en Nieuw’ daterend uit ca. 1875. De melodie is afkomstig van het lied ‘Contre les chagrins de la vie‘ uit de Franse opera Le petit matelot (‘De kleine matroos’), gecomponeerd door Pierre Gaveaux in 1796.

 

Dat gaat naar Den Bosch toe, zoete lieve Gerritje,
Dat gaat naar Den Bosch toe, zoete lieve meid.
Wat zullen wij daar drinken, zoete lieve Gerritje?
Wat zullen wij daar drinken, zoete lieve meid?
Brandewijn met suiker, zoete lieve Gerritje,
Brandewijn met suiker, zoete lieve meid.
Wie zal dat betalen, zoete lieve Gerritje?
Wie zal dat betalen, zoete lieve meid?
Den eerste boer den beste, zoete lieve Gerritje,
Den eerste boer den beste, zoete lieve meid.

 

Het lied is ook bekend in Duitsland. In 1854 vinden we daar deze versie:

 

Lott ons noch es trinke, lieve leckre Gerrettje!
Lott ons noch es trinke, lieve süüte meid!
Brandewinn mit sücker, lieve leckre Gerretje!
Brandewinn mit sücker, lieve süüte meid!
Marr wie sall dat betaale, lieve leckre Gerretje!
Marr wie sall dat betaale, lieve süüte meid!
Den ersten buur, den beste, lieve leckre Gerretje!
Den ersten buur, den beste, lieve süüte meid!

 

In België is een variant bekend. In het Iepersch Oud-liedboek uit 1899 vinden we de tekst:

t Is spellewerkersmesdag, zoete lieve gerretje
t Is spellewerkersmesdag, zoete lieve Mei

 

‘Gerretjes’ zijn daar de gaatjes in het kantwerk, mei is de maand van de feestdag van de speldenwerksters.

In de liedbundel De Vrolyke Trompetter, uitgebracht in 1819, vinden we een voorloper van het lied dat de titel Lieve lekkere Gerritje heeft. Het wordt in de bundel gepresenteerd als een nieuw lied.

 

Kom laten wy eens drinken, Lieve lekkere Gerritje,
Kom laten wy eens drinken, Zoete lieve Meid.
Brandewyn met Zuiker, Lieve lekkere Gerritje,
Brandewyn met Zuiker, Zoete lieve Meid.
Nog een half pintje, Lieve lekkere Gerritje,
Nog een half pintje, Zoete lieve Meid.
Wie zal dat betalen? Lieve lekkere Gerritje,
Wie zal dat betalen? Zoete lieve Meid.
De eerste Boer de beste, Lieve lekkere Gerritje,
De eerste Boer de beste, Zoete lieve Meid.
Dat gaat na den Bosch toe, Lieve lekkere Gerritje,
Dat gaat na de Meijery, Zoete lieve Meid.
Op de Brug staat een Soldaat, Lieve lekkere Gerritje,
Op de Brug staat een Soldaat, Zoete lieve Meid.
Nu wil ik hem eens vragen, Zoete lieve Gerritje,
Een kansje met hem te wagen, Zoete lieve Meid.
Achter de malle Moolen, Lieve lekkere Gerritje,
Achter de malle Moolen, Zoete lieve Meid.
Komt daar dan iemand kyken, Lieve lekkere Gerritje,
Komt daar dan iemand kyken, Zoete lieve Meid.
Gy moet maar op de Wagen, Lieve lekkere Gerritje,
Ik zal er jou op dragen, Zoete lieve Meid.
Manke Gerrit met Hansje, Lieve lekkere Gerritje,
Zy houde graag van danssen, Zoete lieve Meid.
’t Is van een Boere Meisje, Lieve lekkere Gerritje,
Zy houd veel van Scheele Gysje, Die zoete lieve Meid.
Kom aan dan zoet lief zusje, Nu nog een lekkere zoen,
Onder een lekker kusjen, Kan men ’t makkelyk doen.

 

Er is altijd veel discussie geweest over wie nou eigenlijk die ‘zoete lieve Gerritje‘ was. De schrijver Atte Jongstra suggereerde dat Gerritje een koe zou zijn die naar de veemarkt in Den Bosch wordt gebracht en daar wordt verkocht aan ‘den eersten boer den beste‘, waarop een glaasje brandewijn wordt gedronken.

Prof. Asselbergs, beter bekend als schrijver onder zijn pseudoniem Anton van Duinkerken, meende dat Gerritje geen vrouw kon zijn, omdat die naam vroeger in Brabant niet als meisjesnaam voorkwam. Dit is overigens onjuist, want op de site van het Brabants Historisch Informatie Centrum worden heel veel vrouwen uit Den Bosch vermeld met de naam Gerritje. Van Duinkerken meende dat Gerritje een boef was, die naar Den Bosch werd gebracht om daar gevonnist en geëxecuteerd te worden. Zware misdrijven, gepleegd in de vier kwartieren van de Meierij, moesten namelijk in Den Bosch geoordeeld worden, waarna ook in deze stad het vonnis ten uitvoer moest worden gebracht. ‘Den eerste boer den beste‘ zou dan staan voor de belastingbetaler, die voor de kosten op moest draaien. Het galgenmaal bestond destijds uit rijstpap, besproeid door een glaasje brandewijn met suiker (ter bemoediging en verdoving).

de pettelaar

Na enig speurwerk werd ontdekt wie deze Gerritje zou kunnen zijn. Rond 1800 leefde in Den Bosch ene Gerrit, een gevaarlijke bandiet, die de Meierij onveilig maakte. Hij ging op rooftocht, verkleed als onschuldige boerendochter met een mandje aan de arm en ‘den eerste boer den beste’ die hij tegenkwam was de klos. Aan de zuidkant van de stad, buiten de Grote Hekel, lag vroeger een fort, de Pettelaarse Schans geheten. Hier stond herberg De Pettelaar. Met de geroofde buit ging Gerrit altijd samen met zijn kornuiten feest vieren in de herberg. Het verging Gerrit niet goed. Hij werd uiteindelijk in Amsterdam gepakt en opgehangen.

In 1951 hakte VVV-directeur Jan Bruens ter bevordering van het vreemdelingenverkeer de knoop door. Bruens zag in Gerritje liever een boerenmeisje dat vrolijk naar  Den Bosch toe gaat om inkopen te doen. Hij legde de hypothese voor aan Van Duinkerken, die via zijn secretaresse liet weten die uitleg ‘wèl zo aardig’ te vinden. Als een vrolijk boerenmeisje aan de Meierij kwam Zoete Lieve Gerritje vervolgens op 14 november 1953 in levende lijve naar Den Bosch om er de laatste steen te leggen van de opnieuw bestrate Markt. Op de steen stond te lezen: “Van vele honderden, lei Gerritje mij als leste, tot voetveeg onder den eerste boer de besten”, alsmede de datum. Deze steen werd bij een herbestrating in 1978 vervangen door een steen met dezelfde tekst, aangevuld met: “Heremetijd, na al die tijd, door Gerritje weer verleid. 11-11-1978”.

zoete lieve Gerritje met den eerste boer den beste

Sinds 1953 trad Zoete Lieve Gerritje bij belangrijke Bossche aangelegenheden aan, vanaf 1956 vergezeld door boer Gradus, ‘den eersten boer den beste’. Het optreden van het duo werd zelfs een traditie bij de gemeentelijke nieuwjaarsreceptie, waarbij politici op de hak werden genomen. In 2010 kwam er een eind aan de traditie van het folklore-echtpaar Zoete Lieve Gerritje en den Ursten Boer. De kleding van het folklorepaar werd geschonken aan museum Vekemans in Boxtel ten behoeve van de collectie ‘Brabant Goedgemutst’.

zoete lieve gerritje en boer gradus

Bij het VVV werd in de jaren ’50 ook de gedachte geboren een standbeeld voor Zoete Lieve Gerritje op te richten ter verlevendiging van de Bossche binnenstad. Er werden twee kunstenaars aangezocht om ontwerpen in te dienen. Uiteindelijk werd een ontwerp van Leo Geurtjens uitgekozen. Ter bekostiging werd de burgerij opgeroepen om chaperon, brandewijnschenker of vrijer van Zoete Lieve Gerritje te worden. Op 26 juli 1958 was het zover. In het bijzijn van vele schenkers en genodigden onthulde Zoete Lieve Gerritje haar beeltenis op de hoek Lepelstraat/Korenbrugstraat bij de Binnendieze. Een goed gekozen plek, immers praktisch recht tegenover de Sint Jansstraat, een straat die vroeger uitkwam bij de Sint Janspoort. En door de stadspoorten kwam vroeger de boerenbevolking de stad binnenrijden om er haar waren te slijten.

beeld zoete lieve gerritje
In 1985 werd een tweede beeld geplaatst dat de titel ‘Dat gaat naar Den Bosch toe’ heeft en gemaakt is door Ed van Rossum. Het beeld stelt ‘zoete lieve Gerritje’ voor samen met ‘den eerste boer den beste’ en is geplaatst in Lombardje in de binnenstad van Den Bosch.
Dat_gaat_naar_Den_Bosch_toe

Sinds 2007 weten we dat de bron van ‘Dat gaat naar Den Bosch toe’ heel veel ouder is dan werd aangenomen en in elk geval in de 15e eeuw al bekend was. Dichters en troubadours trokken in de middeleeuwen van het ene kasteel naar het andere met hun repertoire. Het was de cultuur van de elite. De kunstenaar werd niet beoordeeld of hij wel een goed lied kon schrijven en zingen, maar veel meer hoeveel instrumenten hij kon bespelen. In de betere cultuurkringen telde je pas echt mee als je ook nog harp kon spelen, één van de duurste muziekinstrumenten uit de middeleeuwen en vooral geliefd bij ridders en kasteelheren.

troubadour
Hertog Jan I van Brabant stond echter bekend als een levensgenieter en minnaar van drank, muziek, zang en dichtkunst. In de volksverhalen leeft deze gulle en goedlachse vorst voort vanwege de gigantische overwinningsfeesten met heel veel bier die hij voor zijn soldaten organiseerde. Hertog Jan schreef en zong zelf liederen en zong bij zo’n overwinningsfeest vanaf een stapel biervaten liedjes voor zijn soldaten. En dat zullen geen keurignette minneliederen zijn geweest.
hertog jan 1 van Brabant
In 2007 werd het Gruuthuse-handschrift opgenomen in de openbare collectie van de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag. Aan Lowie van Gruuthuse, heer van Brugge (ca. 1422-1492) danken we dat 147 middeleeuwse liederen de reformatie hebben overleefd. Hij had ze verstopt tussen een zevental berijmde gebeden en achttien gedichten. Het mooiste is wel dat Gruuthuse zijn liederen met tekst en melodie had laten noteren. Ook vroeger bestond er een groot verschil tussen de kunst en de volksmuziek. Lowie van Gruuthuse noteerde echter ook de liedjes die volgens de toenmalige kunstcritici de moeite van het noteren niet waard waren.
In het handschrift van  Lowie van Gruuthuse vinden we de tekst:
Dat gaat naar Den Bosch toe, Zoete Lieve Moedermaagd
Dat gaat naar Den Bosch toe, Zoete Lieve Vrouw
 pelgrim

In de middeleeuwen was ‘Dat gaat naar Den Bosch toe’ waarschijnlijk een pelgrimslied dat werd gezongen tijdens de bedevaart naar het mirakelbeeld van de Zoete Lieve Moeder van Den Bosch. De legende uit de Middeleeuwen vertelt dat Maria, gedurende de dagen van de pest, de stad in een stormachtige nacht doorkruiste. De volgende morgen bleek iedereen genezen te zijn in de straten, die zij had doorwandeld. Het beeld van de Zoete Lieve Moeder stond als altijd op haar troon, maar de voeten en de zoom van het kleed waren met slijk en straatvuil bedekt en getuigden van haar nachtelijke tocht. Vanaf 1381 kwamen er pelgrims naar het beeld en vonden er wonderen plaats. In de 15e en 16e eeuw was de Sint Jan een van de belangrijkste bedevaartkerken in de Nederlanden.

zoete lieve vrouw van den bosch
Toen Den Bosch op 22 augustus 1566 door de beeldenstorm werd getroffen, bracht men het beeld van de Zoete Moeder in veiligheid op het stadhuis. In 1629, na de bezetting van Den Bosch door Frederik Hendrik, moest het Mariabeeld opnieuw tijdelijk onderduiken, ditmaal in Brussel. Onder de calvinisten kon je Maria niet openlijk bezingen en veranderde de Zoete Lieve Moedermaagd in “Zoete Lieve Gerritje”, mogelijk als verbastering van Merritje (Maria), die niet meer naar Den Bosch ging om kaarsen voor dat mirakelbeeld te branden, maar om brandewijn met suiker te drinken.

 

©Bert van Zantwijk

Overname van (delen van) dit artikel is uitsluitend toegestaan onder vermelding van de naam van de auteur en/of een link naar dit artikel.

Advertenties