Altijd is Kortjakje ziek is een kinderliedje dat teruggaat op een volksliedje uit de zeventiende eeuw. De huidige tekst luidt:

 

Altijd is Kortjakje ziek,

Midden in de week, maar ’s zondags niet.

’s Zondags gaat zij naar de kerk,

Met een boek vol zilverwerk.

Altijd is Kortjakje ziek,

Midden in de week, maar ’s zondags niet.

 

Het lied lijkt op het eerste gezicht te gaan over een zeer godsdienstig meisje. Zij is ziek, maar gaat op zondag toch naar de kerk. Het meisje moet van goede komaf zijn, want zij heeft een boek vol zilverwerk, een met zilver beslagen gebedsboekje. Toch is de verklaring minder eenvoudig. Kortjakje is namelijk de 17e en 18e eeuwse spotnaam voor een vrouwelijke alcoholist. De termen ‘kort’ en ‘lanc’ verwezen destijds naar drank. ‘Kort’ is sterke drank in een klein glas, ‘lanc’ betekent behalve ‘lang’ of ‘verlengd’ ook ‘aangelengd’ en is de benaming voor een zwakalcoholisch mixdrankje in een hoog glas. We gebruiken hiervoor nu nog steeds de term ‘longdrink’. Ik schreef hierover al eerder bij de verklaring van ‘In de maneschijn’. Jakje (eigenlijk jakie of sjaakie) is een van de vele namen van de duivel. Kortjakje betekent dus letterlijk ‘drankduiveltje’. Op internet staat bij diverse bronnen ten onrechte dat kortjakje een verbastering is van cognacje en ook wordt regelmatig ten onrechte gemeld dat een kortjakje een kort jasje of een korte rok zou zijn.

 

dronken-vrouw

 

Aan het eind van de 19e eeuw vinden we naast de huidige tekst ook nog twee varianten, die ons al iets meer vertellen over ‘de ziekte’ van Kortjakje.

 

1.

Altijd is Kortjakje ziek,

Midden in de week, maar Zondags niet.

Zondags dan gaat zij ter kerken

Midden in de week kan zij niet werken.

Altijd is Kortjakje ziek,

Midden in de week, maar Zondags niet.

 

2.

Altijd is Kortjakje ziek,

Midden in de weeck en Sondags niet.

Dan gaet zy haer hert versterken

Midden in de weeck wil zy niet werken.

Alrijd is Kortjakje ziek,

Midden in de weeck en Sondags niet.

 

De tweede variant lijkt, door de schrijfwijze, afkomstig te zijn uit de 18e eeuw. De uitdrukking ‘je hart versterken’ is een synoniem voor drinken. Lezen we de drie versies in omgekeerde volgorde, dan zien we een vrouw die geen zin heeft om te werken en op zondag de kroeg in gaat veranderen, via een vrouw die niet in staat is om te werken, maar op zondag wel naar de kerk gaat, in een ziekelijk maar vroom meisje dat op zondag trouw met haar met zilverwerk beslagen bijbeltje naar de kerk gaat.

Vijftig jaar eerder, in 1850, vinden we een heel arsenaal aan versies. Naast Kortjakje zijn ook Jan van der Griek, Antje Publiek, Kootje Bliek, Jan mijne man en Mietje-Wantje altijd ziek behalve op zondag en allemaal hebben ze op zondag andere dingen te doen dan het bezoeken van de kerk. Een paar voorbeelden:

 

1.

Jan mijne man, dat is ‘ne vent

Aan het werken, aan het werken.

Jan mijne man, dat is ‘ne vent

Aan het werken niet gewend.

’s Sondags zit’i aan zijn deure,

Om te wachten zijn maseure.

’s Maendags zit’i an den trap,

Om te wachten ‘en schotel pap.

Jan mijne man is altijd ziek,

G’heel de weke, g’heel de weke.

Jan mijne man is altijd ziek,

G’heel de weke en tsondags niet.

 

2.

Mietje-Wantj’ is altijd ziek,

Geheel de week en ’s zondags niet.

’s Zondags staat zij aan haar deur,

Om te verwachten haar serviteur.

Serviteur met twee roo kaken.

Maatje, wilt gij mijn broek vermaken? 

Roekedoekdoek, roekedoekdoek,

Kus de bille van Assebroek.

 

De onderste versie over Mietje-Wantje is afkomstig uit Vlaanderen. Een serviteur, letterlijk een dienaar, betekende in West-Vlaanderen ook minnaar of minnares. ‘Roo kaken’ zijn rode wangen door blozen of uit schaamte. Assebroek is mogelijk een woordspeling op het dorp met die naam in West-Vlaanderen, tegenwoordig een deelgemeente van Brugge.

 

drunk-woman

 

Alle bovenstaande versies zijn voortgekomen uit een volksliedje, dat voor het eerst werd gepubliceerd op een liedblaadje in het jaar 1700. Het heeft als titel: ‘Een nieuw lied, van Ragel Valderappus, eersaeme en seer secreete vrouw, zittende op ’t raedhuys van de Markus brug’.

 

Kortjakje zeer hups en fijn,

Js de meeste tijd beschonken.

Kortjakje mag geen Brandewijn,

Maer het moet janever zijn.

Altijd is Kortjakje ziek,

Midden in  de Week en Zondags niet.

Dan gaet zy haer hert versterken,

Midden in de week wil zy niet werken.

Altijd is Kortjakje ziek,

Midden in de week en Zondags niet.

 

Kortjakje heeft hier op let,

De ring al van haer hand genomen.

En die heeft die dronke slet,

Bij Jan-Oom te pand gezet.

Kortjakje mag geen Brandewijn

Maer het moet Janever zijn.

Kortjakje gaet haer hert versterken,

Midden in de week wil zy niet werken.

Altijd is Kortjakje ziek,

Midden in de week en Zondags niet.

 

Kortjakje is vroeg opgestaen,

En zy is met radde kooten,

Na de Marcus Brug gegaen,

De Jongers volgden agter aen.

Kortjakje mag geen Brandewijn,

Maer het moet Janever zijn.

Daer vond zy ’t Raedhuys bescheten,

Dat kon Ragel niet op eeten.

Daerom is Kortjakje ziek,

Midden in de week en Zondags niet.

 

Kortjakje zogt de Besemstok,

En begon op de jongers te vloeken.

En zy sprak hou toe jou bek,

Of ik bruy jou op de Nek.

Kortjakje mag geen Brandewijn,

Maer het moet Janever zijn.

Kortjakje gaet haer hert versterken,

Midden in de week wil zy niet werken.

Altijd is Kortjakje ziek,

Midden in de week en Zondags niet.

 

Loop jou honden voor de pest,

Of de duyvel zal jou halen,

Want ik geef je aers de rest,

Sprak Kortjakje op het lest.

Kortjakje mag geen Brandewijn,

Maer het moet Janever zijn.

Valderappus wil niet trouwen,

Maer zy begint met Pluggen t’houwen.

Altijd is Kortjakje ziek,

Midden in de week en Zondags niet.

 

Kortjakje heeft met boosheyd groot,

Een steen in haer hand genomen.

En sy sey by Slapperloot,

Daer mee bruy ik jou strak dood.

Kortjakje mag geen Brandewijn,

Maer het moet Janever zijn.

Kortjakje gaet haer hert versterken,

Midden in de week wil zy niet werken.

Altijd is Kortjakje ziek,

Midden in de week en Zondags niet.

 

Die dit Liedtje heeft gedigt,

Die heeft een Janever gekregen.

Zy woont by Kortjakie digt,

’t Js Ragel Valderappus Nigt:

Kortjakje mag geen Brandewijn,

Maer het moet Janever zijn.

Kortjakje gaet haer hert versterken,

Midden in de week wil zy niet werken.

Altijd is Kortjakje ziek,

Midden in de week en Zondags niet.

 

De tekst van het kluchtlied gaat over een Joodse vrouw (Ragel of Rachel is een Joodse naam) die als toiletjuffrouw werkt bij de openbare toiletten onder het Raadhuis bij de Marcusbrug in Amsterdam. Haar bijnaam is Ragel Valderappus. Zij staat slecht bekend, want valderappus is Jiddisch voor schorremorrie. Eerder hebben we al vastgesteld dat zij een alcoholiste is. De schrijfster van het lied wekt de indruk een waargebeurd verhaal, een anekdote, te vertellen. Zij vermeldt expliciet dat zij de nicht is van Ragel en het vers heeft geschreven in ruil voor een glaasje jenever.

De schrijfster vertelt hoe Ragel op een dag, als ze naar haar werk gaat, wordt achternagelopen door een groep jongens. Aangekomen bij haar werk blijkt dat de jongens de hele boel hebben ondergescheten. Ragel gaat volledig uit haar plaat en bedreigd de jongens eerst met een bezemsteel en later met een steen.

Op internet staat overal vermeld dat het lied zou gaan over een prostituee. Dat blijkt echter op geen enkele manier uit het lied. Er wordt gemeld dat Ragel niet meer wil trouwen en haar (verlovings-)ring naar Jan-Oom, dus naar de lommerd, heeft gebracht. Zij ‘begint met Pluggen t’houwen’ wil zeggen dat zij met meerdere mannen -net als zij van laag allooi, want een plug is een schooier- het bed deelt. Er staat echter niet dat zij dat tegen betaling doet. Er bestaat weliswaar een versie waarin ”s Zondags gaat zij naar de kerk, met een boek vol zilverwerk’ is gewijzigd in ”s Zondags komt meneer pastoor, daar spreidt zij haar beentjes voor’, maar die versie is veel jonger dan de thans nog bestaande tekst en is vermoedelijk ontstaan op een schoolplein of een drankfeest. Daar kunnen geen conclusies aan worden verbonden. Ook is er een versie bekend waarbij de nu bestaande tekst wordt aangevuld met een tweede strofe, waarin de tekst staat ‘Midden in de week wil zij niet wassen, ’s Zondags strikt ze herendassen’, heel soms gevolgd door een derde strofe met de tekst ”s Zondags als haar liefste komt, is Kortjakje goed gezond’. Ook dit zijn latere aanvullingen, die niets zeggen over de oorspronkelijke betekenis van het lied, noch over de huidige tekst.

In dezelfde periode dat het oorspronkelijk lied is gepubliceerd, rond of kort na 1700, verschijnen er meer liedjes over Kortjakje. Zo zijn daar: ‘Kortjakjes Kraembed, die noit gewoon was te kinderen, en nu in haer hooge Ouderdom van Tagtig Jaren in de Kraem gekomen van twee Meysjes‘, ‘Testament van Kortjakje‘ en ‘Kort Jakie is weer levendigh geworden‘. Kortjakje was echter de algemene spotnaam voor een vrouwelijke alcoholist. Er is daarom geen zekerheid dat deze liedjes over dezelfde persoon gaan.

 

©Bert van Zantwijk

Overname van (delen van) dit artikel is uitsluitend toegestaan onder vermelding van de naam van de auteur en/of een link naar dit artikel.

Advertenties