Het liedje, zoals wij dat nu kennen, gaat als volgt:

 

Berend Botje ging uit varen

Met zijn scheepje naar Zuidlaren

De weg was recht, de weg was krom

Nooit kwam Berend Botje weerom

 

Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven

Waar is Berend Botje gebleven?

Hij is niet hier, hij is niet daar

Hij is naar Amerika

 

Amerika, Amerika

Driemaal in de rondte van je hopsasa

Amerika, Amerika

Driemaal in de rondte van je hopsasa

 

Het is een samengestelde liedtekst, afkomstig van drie verschillende bronnen. De eerste strofe is het oorspronkelijke lied over Berend Botje. De tweede strofe is eigenlijk een ander lied uit de 19e eeuw, bekend onder de naam ‘Jan en de Meyd’.

Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven

Waar is Jan met de meyd gebleven?

Hij is niet hier, hij is niet daar

Hij is naar Amerika.

De derde strofe is een veel latere toevoeging, die voor het eerst werd gevonden in Utrecht in de jaren zestig van de vorige eeuw. Het is afkomstig van het lied ‘Tonia’. Soms wordt ook een andere derde strofe gezongen waarin Berend Botje in Amerika harmonica speelt.

De oudste schriftelijke vermelding van het oorspronkelijke lied is het liedboek ‘Barend Botje ging uit varen’ van een onbekende auteur,  uitgegeven in 1887 door boek- en papierhandel J. Vlieger te Amsterdam in samenwerking met drukkerij Amand Lith. Het maakt deel uit van een serie prentenboekjes met tekst van J. Vlieger (serie 1887 a2) waarin bekende versjes staan. Aangezien ‘Barend Botje’ tevens wordt gebruikt als titel van het prentenboek, mag worden aangenomen dat het lied toen al algemeen bekend was.

barend borje

 

Bij dit prentenboekje valt op dat in de titel sprake is van ‘Barend Botje’, terwijl de hoofdpersoon in het versje ‘Berend Botjen’ heet.

 

berend_botjen

 

Andere versies die dateren uit het eind van de 19e eeuw zijn geschreven in dialect, waardoor de herkomst kan worden vastgesteld. Zij zijn afkomstig uit Groningen, Friesland, Drenthe en uit het net over de grens in Duitsland gelegen Oost-Friesland. De hoofdpersoon wordt hierin aangeduid als Barend Botje, Berend Botje, Berend Botjen, Berend Butje of Berend Buttje. Hij vaart met zijn scheepje of schuitje naar Zuidlaren, naar Zuid-Laren, over de baren of naar Polaren. Ook over de herkomst van de muziek worden verschillende verklaringen aangevoerd. Er zijn bronnen die de muziek toeschrijven aan de componiste Hendrika van Tussenbroek (1854-1935), terwijl anderen beweren dat de melodie al in het begin van de 19e eeuw als polka bekend was in Duitsland. Mogelijk heeft Hendrika van Tussenbroek een bestaande melodie gekoppeld aan het versje van Berend Botje en in notenschrift vastgelegd.

Op internet circuleren heel veel verschillende verklaringen voor de liedtekst. De meeste van die verklaringen kunnen echter worden afgedaan als ‘niet aannemelijk’ of als ‘slecht verzonnen’.

In 1878 nemen kapiteinszoon Cornelis Botje en werktuigkundige Willem Ensing het eigendom over van de scheepswerf aan het Hoendiep in Groningen. Het bedrijf heet vanaf dat moment Scheepswerf Botje, Ensing & Co. In 1906 gaat zoon Dirk Herman Botje in het bedrijf werken en als vader Cornelis drie jaar later overlijdt, krijgt hij de leiding. Onder Ir. D.H., zoals personeelsleden hem wel noemen, wordt Botje, Ensing & Co. een van de grootste bedrijven van de stad. Zijn zoon Everhard neemt na de tweede wereldoorlog de leiding van de werf en machinefabriek van zijn vader over. Het bedrijf wordt opgeheven op 31 januari 1966. De legendarische Berend Botje blijkt niet tot de familie te behoren.

 

botje scheepswerf

 

Toch komt er in de genealogie van de familie Botje wel een Berend voor. In 1912 werd in Vlaardingen Berend Roosenboom geboren. Hij was de zoon van de uit Groningen afkomstige Klaas Roosenboom en de eveneens uit Groningen komende Elisabeth Johanna Botje. Bij het uitbreken van de tweede wereldoorlog zou Berend zijn Joods aandoende achternaam Roosenboom hebben gewijzigd in de naam van zijn moeder en samen met zijn broer naar Amerika zijn geëmigreerd. Ik kan hier geen bevestiging van vinden. Klaas Roosenboom en Elisabeth Botje hebben daadwerkelijk bestaan, maar de genealogie van de familie is niet openbaar. Als het verhaal klopt, kan deze Berend Botje echter niets te maken hebben met het liedje, omdat hij pas in 1912 is geboren, 25 jaar na de eerste schriftelijke vermelding van het lied.

Gert Blik meent dat het lied gaat over het grote aantal mensen uit Groningen en Friesland dat aan het eind van de 19e eeuw naar Amerika emigreerde, zonder dat Berend Botje verwijst naar een specifiek persoon. Hij schrijft: ‘Het was een beetje een spotliedje op al die gekken die zo nodig naar Amerika moesten. Het was voor de achterblijvers natuurlijk een bedreigende situatie. Er gingen zoveel de plas over dat soms een flink deel van de jonge mensen uit een dorp vertrok.’ Dat zou een uitstekende verklaring zijn geweest als de oorspronkelijke tekst van het lied gelijk zou zijn geweest aan de huidige versie. Eerder in dit artikel heb ik echter al gemeld dat alleen de eerste strofe de oorspronkelijke tekst van het lied is. De verklaring is passend voor ‘Jan en de meyd’ en voor de regels die afkomstig zijn uit ‘Tonia’, maar is behoorlijk mager als het uitsluitend gaat om de eerste strofe, die oorspronkelijk het hele lied was.

Anderen melden dat Berend Butje een oorsprong moet hebben in Groningen, omdat ‘butje’ het Groningse woord is voor stommeling. In 1920 werd in de Butjesstraat in Groningen de Dr. Bekenkampschool voor BLO en LOM gesticht. De Butjesstraat is vernoemd naar de familie Butkens. De leerlingen van de Bekenkampschool werden ‘butjes’ genoemd. Diverse mensen melden op fora dat zij als kind het lied ‘Berend Butje’ zongen om de kinderen van de Butjesschool te treiteren. Dat zal ongetwijfeld juist zijn, maar dat doet niets af aan het feit dat de betekenis ‘stommeling’ voor de term ‘butje’ niet oud genoeg is om een relatie te kunnen hebben met het lied. De school werd pas gesticht in 1920, terwijl het lied al in 1887 in schriftelijke bronnen is terug te vinden en vermoedelijk nog veel ouder is.

 

sliep-uit

 

In Zuidlaren werd in 1895 het gesticht van de Vereeniging tot Christelijke Verzorging van Krankzinnigen en Zenuwlijders geopend.  In het gesticht werden patiënten verpleegd, die gedwongen waren opgenomen. In de omgeving van Zuidlaren werd Berend Botje door kinderen gebruikt als scheldversje om een ander kind duidelijk te maken dat hij/zij niet goed bij het hoofd was. Ook hierbij geldt echter dat het liedje over Berend Botje ouder is dan het gesticht.

Een te verwachten verklaring, gezien de naam van de hoofdpersoon en de vindplaatsen van de oudste geschreven teksten van het liedje, is dat het lied zou gaan over een verdronken botvisser op de Waddenzee. Dat heeft uiteraard niets met Zuidlaren te maken, maar in de oudste versies komt ook de vorm voor waarbij Berend Botje ‘over de baren’ vaart. Ook deze verklaring kan echter niet correct zijn. Botvissen op de Waddenzee gebeurde destijds bij laagwater met een net en een botsteker, een staak met tanden. Daar kwam geen boot aan te pas, want bij eb liggen de wadden grotendeels droog. De vissers liepen over de droogliggende zeebodem op zoek naar een priel, dat wil zeggen een gat of slink waar nog water in is blijven staan. Hier waadden zij doorheen en trokken een net met zich mee. De botvissers staken tijdens het lopen de tanden van de botsteker of prik voor zich in de bodem, vooral waar zich kleine ophogingen bevonden die vaak een bot verborgen. Zo werd menig bot doorstoken, terwijl de in beweging gebrachte vissen in het net werden gevangen. Het in de bodem prikken met de botsteker voorkwam ook dat de visser in een dieper gat in het priel zou vallen. Zodra de vloed weer opkwam keerden de vissers terug naar het vasteland, waarbij zij de vis meenamen in een zogenaamde botzak. Het is aannemelijk dat er wel eens botvissers in problemen kwamen als zij te laat terugkeerden en verrast werden door de opkomende vloed. Vreemd genoeg vind ik slechts één geval van verdrinking in de archieven. In mei 1818 verdronk de 19-jarige Metske Remkes uit Ulrum tijdens het botsteken.

 

Bot_steken

 

In Oost-Friesland ging de botvangst anders. De Buttjer (botvissers) plaatsten tijdens laagwater Reusen (botwanten, lange lijnen met haken waar zeepieren aan zaten) in de Priele, lieten deze gedurende een vloed liggen en gingen als het weer laagwater was met Kreiern (houten sleeën) langs de prielen om de gevangen vis op te halen. Hier werd dus wel gevaren, want je verplaatsen met een slee heet in het Duits ‘schlittenfahren’. Maar ook dit kan niets te maken hebben met Berend Botje. In Oost-Friesland zingt men: Berend Buttje de wul fahren, mit sin Schippke na Polaren. Er is dus sprake van een scheepje en niet van een slee, terwijl er ook geen verband is tussen Polaren en de Waddenzee.

Er is nog een verklaring waarin een botvisser voorkomt. Dit keer gaat het om een botvisser die er met de boot vandoor gaat om de dienstplicht in het leger van Napoleon te ontlopen en nooit terugkeert. Het is correct dat Napoleon in 1811 de wet op de dienstplicht invoerde. Zodra jongens de leeftijd van twintig jaar bereikten, werden ze dienstplichtig. Wie te klein was of een te zwak gestel had, werd vrijgesteld. Daarnaast konden sommige jongens een beroep doen op een bijzondere regeling, omdat zij een oudere broer hadden die al in het leger diende, of omdat zij de oudste zoon waren van een weduwe en bijdroegen aan haar levensonderhoud. Welgestelde personen konden een vervanger inhuren, die tegen betaling de legerdienst voor hen overnam. Alle twintigjarige jongemannen die niet binnen deze regelingen vielen moesten deelnemen aan een loting. Wie een laag nummer trok moest in dienst, wie een hoog nummer trok ontsprong de dans tot de volgende loting. Vanaf 1813 werd er echter niet meer geloot. Napoleon had veel verliezen geleden en elke twintigjarige moest vanaf dat moment daadwerkelijk in dienst. De Hollandse soldaten werden ingedeeld in Hollandse regimenten, in tegenstelling tot de reguliere Franse regimenten die uit een smeltkroes van nationaliteiten bestonden. De Hollandse regimenten vochten zonder uitzondering in Rusland waardoor het dodental onder de soldaten uit de Hollandse regimenten erg hoog was. Het is daarom best aannemelijk dat er jongens zijn geweest die de dienstplicht hebben willen ontvluchten. Botvissers waren echter zeer arm. De kans dat een botvisser de beschikking had over een boot om te kunnen vluchten is daarom erg klein. Maar goed, niemand heeft beweerd dat de boot zijn eigendom was. Het verhaal is echter totaal ongeloofwaardig. Er is zoveel bekend over de persoon: hij werd in de periode 1811-1813 twintig jaar; hij had geen broers die zijn dienstplicht konden overnemen, want anders zou het geen zin hebben gehad om te vluchten; hij was werkzaam als botvisser; hij woonde derhalve aan de noordkust van Groningen of Friesland nabij de Waddenzee; hij is gevlucht met een boot; hij is nooit teruggekeerd. En toch kan niemand een naam aan de persoon koppelen of zelfs maar aangeven uit welk dorp hij afkomstig was.

 

nederlandse-soldaten-napoleon-in-rusland

 

Er zijn ook nog een aantal verklaringen met een dubbele bodem. Bij elk verhaal waarvan de oorsprong onbekend is zijn er mensen die, meestal uit commercieel belang, proberen om het verhaal een lokale herkomst te geven.

Een hardnekkig verhaal vertelt dat Berend Botje een boertje uit Borger was, die met zijn scheepje over de Hunze naar Zuidlaren voer. Sommigen voegen hier nog aan toe dat het boertje, na een bezoek aan de paardenmarkt, een vrouw wilde kopen op de Zuidlaardermarkt, maar een blauwtje liep. In elk geval zou het boertje zo dronken zijn geworden dat hij op weg naar huis in de Hunze viel en verdronk. Nog een leuk beeldje in het centrum van Borger voor de toeristen en het verhaal is compleet. Dit is uiteraard absolute onzin. Borger is een kleine gemeenschap. In 1800 woonden er slechts 300 mensen in Borger en in 1900 nog altijd maar 900 en al deze mensen waren met elkaar verbonden door de kerk. Er heeft nooit iemand met de naam Berend Botje in Borger gewoond, zodat sprake zou moeten zijn van een bijnaam. Een ongetrouwde volwassen man, boer, die in oktober -tijdens de Zuidlaardermarkt- is verdronken, zou zeer eenvoudig op te sporen moeten zijn, maar desondanks kan niemand een naam koppelen aan dit verhaal. Het is bovendien niet aannemelijk dat een zo plaatsgebonden versje in heel Nederland en zelfs in Duitsland bekend zou raken.

In een ander verhaal gaat het om een schipper uit Gasselternijveen die een buitenechtelijke relatie in Zuidlaren onderhield. De weg van Gasselternijveen naar Zuidlaren liep via het Achterkanaal en daarna via de Hunze. De bijnaam Botje zou verwijzen naar zijn geslachtsdeel. Vanwege deze bijnaam zou de schipper uiteindelijk naar Amerika zijn geëmigreerd. Hierbij geldt deels dezelfde overweging als bij het boertje uit Borger. De turfschippers uit Gasselternijveen vormden een kleine gesloten gemeenschap waar iedereen elkaar kende, waardoor het eenvoudig zou moeten zijn om een naam aan het verhaal te koppelen. Er is bovendien geen enkele reden waarom een lied over een vreemdgaande schipper uit een klein dorp zich zo wijd zou verbreiden. Daarnaast denk ik dat de tekst van een spotlied over een vreemdgaande schipper met een bijnaam die naar zijn geslachtsdeel verwijst een andere tekst zou hebben gehad. Je verwacht dan eerder een tekst als: ‘Berend Botje ging uit varen, om te paren in Zuidlaren’. De slottekst van de uitleg, waarin de turfschipper naar Amerika emigreert, levert uiteindelijk het ultieme bewijs dat sprake is van een onzinverklaring. De tweede en derde strofe van het lied behoorden immers niet tot de oorspronkelijke liedtekst.

 

turfschip

 

Een schoolvoorbeeld van een tekstverklaring met een dubbele bodem vinden we op Zuidlaren.nl, de site van het Tourist Info Punt in Zuidlaren. Het TIP is een toeristische organisatie in de provincie Drenthe, die het VVV vervangt. De verklaring wordt gepresenteerd alsof deze afkomstig is van een historicus. Onder het verhaal staat: Dit verhaal van Berend Botje is gebaseerd op het feitelijke verhaal van de familie Van Bon die op Plankensloot woonde.

Het verhaal gaat over Berend van Bon, die een zaag- en oliemolen op Plankensloot heeft. Hij is rijk en wordt wel ‘gouden Berend’ genoemd. Hij doet goede zaken met meel malen en planken zagen. Voor het malen van meel mag hij 1/12 gedeelte van het meel zelf houden: ‘de hocht’. Voor zijn zaagmolen koopt hij hout op stam in Finland en Zweden. De bomen worden tot vlotten samengebouwd en zo via zee vervoerd. Het gaat soms behoorlijk tekeer en Berend vraagt zich vaak af of hij Zuidlaren nog weer zal zien. Berend helpt vaak mensen uit nood. Als er iets moet worden geïnvesteerd leggen de mensen botje bij botje om het benodigde geld bij elkaar te krijgen. Berend schiet dan vaak met ‘het laatste botje’ te hulp. De mensen, die hem dankbaar zijn, noemen hem daarom Berend Botje. Berend van Bon heeft een groot gezin. Zijn oudste zoon wordt ook molenaar en bouwt een grote, eigen molen aan de Zuidlaardervaart in Zuidlaren. Diens zoon heet, net als zijn opa, Berend en erft als oudste kleinzoon de bijnaam Berend Botje. Deze Berend wordt landbouwer. Een andere zoon van Berend van Bon heet Berend en is bakker in Assen. Hij emigreert naar Amerika en wil een bakkerij oprichten in Los Angeles. Het avontuur in Amerika loopt niet goed af. De machines die Berend voor veel geld koopt blijken niet goed. Hij voelt zich bedrogen, zijn geld is op en hij keert terug naar Nederland. Hij wordt uiteindelijk banketbakker in Apeldoorn.

 

molen-plankensloot

 

Informatie op de website van een Tourist Info Punt heeft enige autoriteit. Als bovendien gemeld wordt dat de tekst afkomstig is van een historicus en het verhaal gebaseerd is op het feitelijke verhaal van een familie, dan moet een lezer erop kunnen vertrouwen dat de gegeven informatie correct is. Laten we de tekst eens analyseren.

Berend van Bon heeft daadwerkelijk bestaan. In de genealogie staat hij vermeld als Berend Alberts, zoon van Albert Egberts. Achternamen werden pas ingevoerd in de Franse tijd. Berend leefde van 1792 tot 1874 en was beurtschipper en houthandelaar. Hij woonde op Plankensloot bij Midlaren en liet daar in 1845 een houtzaag- en oliemolen bouwen, die in 1847 door brand verloren ging. In 1848 werden een aparte houtzaagmolen en een oliemolen gebouwd en opende hij een tapperij. Berend van Bon zal zonder enige twijfel een vermogend man zijn geweest, al kan ik nergens een bevestiging vinden dat zijn bijnaam ‘gouden Berend’ was. De houtzaagmolen werd later overgenomen door zijn zoon Jan, die de bijnaam Jan Plankie zou krijgen, en de oliemolen door zijn zoon Hendrik. De houtzaagmolen verbrandde in 1907. De bovenste helft van de oliemolen werd datzelfde jaar afgebroken en in Steendam als poldermolen herbouwd. De oliemolen werd daarna aangedreven door een petroleummotor en brandde af in 1926. Tot zover staan er geen onwaarheden in het artikel.

 

molens_plankensloot

 

Maar dan: Hij doet goede zaken met meel malen en planken zagen. Voor het malen van meel mag hij 1/12 gedeelte van het meel zelf houden: ‘de hocht’.  Meel? Welk meel? Berend had een houtzaagmolen voor het zagen van planken en een oliemolen voor het persen van olie uit zaden. Er werd geen graan gemalen in de molens van Berend, dus er was ook geen meel. Het loon in natura voor het malen van graan, de hocht,  was in de tijd van Berend van Bon bovendien helemaal geen 1/12 deel. Dat was alleen zo in de periode 1878-1895 toen de graanprijzen erg laag waren, maar toen was Berend al overleden. Voor zijn zaagmolen koopt hij hout op stam in Finland en Zweden. De bomen worden tot vlotten samengebouwd en zo via zee vervoerd. Het gaat soms behoorlijk tekeer en Berend vraagt zich vaak af of hij Zuidlaren nog weer zal zien. Berend van Bon was van origine houthandelaar, dus hij zal absoluut hebben geweten waar hij het voordeligst hout kon inkopen. Naaldhout en berkenhout was vaak afkomstig uit Finland. Het transport ging echter over meren en rivieren en zeker niet over zee en werd ook niet door de houthandelaren zelf verricht. Berend helpt vaak mensen uit nood. Als er iets moet worden geïnvesteerd leggen de mensen botje bij botje om het benodigde geld bij elkaar te krijgen. Berend schiet dan vaak met ‘het laatste botje’ te hulp. De mensen, die hem dankbaar zijn, noemen hem daarom Berend Botje.  Het is niet meer na te gaan of Berend van Bon daadwerkelijk mensen financieel ondersteunde, maar het is in elk geval niet aannemelijk dat hij daarvoor de bijnaam Berend Botje zou krijgen. De munt met de naam ‘botje’ bestond al eeuwen niet meer en ook de uitdrukking ‘botje bij botje leggen’ was in de 19e eeuw niet gangbaar. Daarnaast had hij volgens de tekst al de bijnaam ‘gouden Berend’ en die behoud je je hele leven.

Zijn oudste zoon wordt ook molenaar en bouwt een grote, eigen molen aan de Zuidlaardervaart in Zuidlaren. Diens zoon heet, net als zijn opa, Berend en erft als oudste kleinzoon de bijnaam Berend Botje. Deze Berend wordt landbouwer. De oudste zoon van Berend van Bon heette Egbert van Bon. Hij trouwde in 1848 met Anna Bazuin en stichtte in 1851 van de bruidsschat die Anna had ingebracht molen ‘De Wachter’ in Zuidlaren. Zijn oudste zoon heette Berend, werd landbouwer, en was inderdaad de oudste kleinzoon van Berend van Bon. Dit gedeelte van de tekst is derhalve correct, al moet ik er wel bij vermelden dat er op de website van het TIP een heel onzinverhaal omheen wordt gebreid dat ik niet de moeite waard heb gevonden om hier te vermelden.

Een andere zoon van Berend van Bon heet Berend en is bakker in Assen. Hij emigreert naar Amerika en wil een bakkerij oprichten in Los Angeles. Het avontuur in Amerika loopt niet goed af. De machines die Berend voor veel geld koopt blijken niet goed. Hij voelt zich bedrogen, zijn geld is op en hij keert terug naar Nederland. Hij wordt uiteindelijk banketbakker in Apeldoorn. Berend van Bon had inderdaad een zoon met de naam Berend. Hij werd in 1836 geboren op Plankensloot in Zuidlaren, trouwde in 1872 in Zuidlaren met Jantje Houwing uit Zuidlaren, kreeg tussen 1873 en 1892 dertien kinderen die allemaal geboren werden in Zuidlaren en overleed in 1901 in Zuidlaren. Zijn beroep was landbouwer. Waarschijnlijk is de schrijver in de war met een andere Berend. Berend van Bon had een zoon die Piet heette. Piet had een zoon met de naam Berend, dus de kleinzoon van Berend van Bon. Deze Berend was banketbakker in Assen en overleed in Apeldoorn. Hij heeft ook geruime tijd op Schiermonnikoog gewoond. Over een vertrek naar Amerika kan ik niets vinden, maar dat is voor dit artikel ook niet van belang. In 1898 woonde hij in elk geval nog in Assen en toen was de tweede strofe van het liedje al bekend.

De conclusie moet zijn dat Berend van Bon niet Berend Botje is. Het Tourist Info Punt in Zuidlaren heeft een verhaal verzonnen rondom een familie die werkelijk heeft bestaan. Hiermee heeft men een verband willen leggen tussen Berend Botje en de molen van Egbert van Bon, dat tegenwoordig bekend is als molenmuseum De Wachter. Hier bevindt zich ook het originele beeld van Berend Botje. Het beeld aan de Stationsweg is een replica.

 

bommen-berend

 

Een ander persoon die vaak wordt genoemd als zijnde Berend Botje is Bernhard van Galen, bisschop van Münster. De bisschop werd in de volksmond Bommen Berend genoemd vanwege het veelvuldige gebruik van door kanonnen afgeschoten bommen, voor die tijd het modernste wapentuig, waarmee aanzienlijke schade kon worden aangericht. In 1672 werd de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in het westen aangevallen door Engeland, in het zuiden door Frankrijk en in het Zuidoosten door Maximiliaan Hendrik van Beieren. Bernhard van Galen zag hierdoor zijn kans schoon om het noorden aan te vallen. Vanaf 21 juli 1672 werd Groningen belegerd door het leger van Bommen Berend, bijgestaan door Keulse troepen. De bisschop van Münster meende aanspraak op de gebieden in en om Groningen te kunnen maken, omdat de Ommelanden tot de instelling van het bisdom Groningen in 1559, kerkelijk deel hadden uitgemaakt van het bisdom Münster. Na vier weken moest het leger van de bisschop zich echter terugtrekken. Groningen was op 17 augustus 1672 ontzet. Nadat de Juliaanse kalender werd vervangen door de Gregoriaanse kalender viel die dag op 28 augustus en op deze datum wordt sinds die tijd de belangrijkste feestdag voor stad en ommelanden gehouden, met tal van feestelijkheden. Dit heeft allemaal natuurlijk niets te maken met het liedje over Berend Botje. In de tekst van het liedje is niets te vinden wat overeenkomt met de gedragingen van bisschop van Galen. Behalve de naam Berend, de initialen BB in de bijnaam Bommen Berend en de locatie in het hoge noorden, zijn er ook geen andere overeenkomsten te ontdekken. Dat neemt niet weg dat Bommen Berend toch verrassend vaak op internet wordt genoemd als het gaat om de identiteit van Berend Botje.

Een naam die ook veel wordt genoemd is Berend Drenth, volgens het verhaal een rijke reder uit Groningen die zijn wrakke schepen de Oostzee opstuurde om later, als de schepen waren vergaan, het verzekeringsgeld op te strijken. Niet deze Berend Drenth, maar de bemanning kwam nooit weerom. De bijnaam Berend Botje zou verwijzen naar de verzekeringsgelden die hij opstreek. Ook dit verhaal is gebaseerd op een persoon die daadwerkelijk heeft bestaan. Zijn naam was Berend Berends Drenth, hij leefde van 1808 tot 1893 en woonde in Oude Pekela. Berend Drenth was, net als zijn vader en zijn opa, scheepsbouwer. Hij was echter de eerste van zijn familie die ook als reder actief was. Op genealogie-websites wordt gemeld dat zijn bijnaam ‘Berend Bonkje’ was. De scheepswerf en rederij zijn later overgenomen door zijn zoons die, toen de scheepsbouw en zeevaart vanuit Oude Pekela niet meer lucratief was, het bedrijf beëindigden en een aardappelmeelfabriek openden, die gefinancierd werd door hun vader. Berend Drenth was een vermogend man. In 1869, bij het huwelijk van een van zijn kinderen, wordt als beroep ‘rentenier’ vermeld. Zijn erfenis werd in 1893 getaxeerd op Hfl 26.500. Een scheepskapitein verdiende in die tijd Hfl 500 per jaar, een werkman Hfl 200.

Al in 1712 onderkenden de Pekelder schippers het risico dat hun beroep meebracht. Ze stichtten toen de onderlinge assurantiemaatschappij (compact) ‘Harmonie’, waarbij zowel de schipper als het schip waren verzekerd. Daarnaast kende Oude Pekela compact ‘De Trouw’, dat tot doel had aan hulpbehoevende jongelingen een voorschot voor hun eerste uitrusting naar zee te verlenen en om het onderwijs te bekostigen dat zij voor dit vak nodig hadden. Nieuwe Pekela kende het compact ‘Voorzorg’ dat tot primaire doel had de ondersteuning van en zorg voor oud-kapiteins en weduwen en wezen van de op zee omgekomen schippers.

 

berend-drenth

 

De feiten lijken dus overeen te komen met het verhaal waarin Berend Drenth wordt genoemd als de persoon uit het liedje over Berend Botje. En toch geloof ik het verhaal niet.

Alle schepen die sinds 1800 zijn vergaan zijn goed gedocumenteerd. Daarbij zijn verhoudingsgewijs maar heel weinig schepen waarbij Berend Drenth als bouwer, als reder of als ceduller (mede-eigenaar) betrokken was. Wel is zijn schoonzoon, die als kapitein werkzaam was op een van zijn schepen, tijdens een storm overboord geslagen en verdronken. De schepen die zijn vergaan en waarbij Berend Drenth betrokken was als reder, waren allemaal redelijk nieuw en tijdig periodiek gekeurd door bureau Veritas. Die keuring was een voorwaarde voor de verzekering van een schip. Het is dan ook een fabel dat Berend Drenth zijn vermogen heeft vergaard door wrakke schepen de Oostzee op te sturen om zo verzekeringsgeld op te strijken. Hij had dat ook niet nodig. Berend Drenth had de scheepswerf, een woning en diverse andere zaken verkregen uit erfenis van zijn vader. Ook zijn vrouw had een behoorlijke erfenis gekregen van haar ouders. Het vermogen dat Berend Drenth uiteindelijk naliet aan zijn kinderen is niet heel erg veel hoger dan de erfenissen die hij en zijn vrouw hadden gekregen van hun ouders.

Laten we vervolgens eens kijken naar de bijnaam ‘Berend Bonkje’. Het is niet erg aannemelijk dat die bijnaam in een liedje verbasterd zou worden tot Berend Botje. Een bonk was een gangbare term voor een zeeman, terwijl ik eerder in dit artikel al heb vermeld dat de term botje voor de middeleeuwse munt met die naam, in die tijd absoluut niet meer werd gebruikt. Iedereen had destijds een bijnaam, wat een logisch gevolg was van het feit dat mensen werden vernoemd, waardoor veel mannen dezelfde naam hadden als hun vader of oom, diverse neven en hun opa. In alle genealogie-overzichten staat echter alleen bij Berend Drenth een bijnaam vermeld en wel consequent bij alle vermeldingen van zijn naam. Als die bijnaam zo bekend was, zouden er ook andere bronnen moeten zijn waarin de bijnaam wordt gemeld, maar die ontbreken. Alle vermeldingen van de bijnaam in de genealogie-overzichten zijn bovendien te herleiden tot het jaar 2010 en tot één auteur, Jan Willem Sandker, die, in tegenstelling tot andere genealogische vermeldingen die van zijn hand zijn geen enkele bron geeft voor de herkomst van de vermelde bijnaam. Dit lijkt daarom vooral een bewuste poging om het lied van Berend Botje te koppelen aan Berend Drenth, van wie Jan Willem Sandker van moederskant een afstammeling is.

 

lodewijk_van_heiden

 

De laatste naam die veelvuldig wordt genoemd is de Drentse zeeheld Lodewijk van Heiden. Lodewijk werd in 1772 geboren in Den Haag. Hij was de zoon Sigismund van Heiden, opperkamerheer van Stadhouder Willem V en drost (rechterlijk- en bestuursambtenaar) van Drenthe. Een groot deel van het jaar verbleef de familie in Den Haag en zat Lodewijk bij de latere koning Willem I en zijn broer Frederik in de klas. ’s Zomers resideerde de familie op de havezate Laarwoud in Zuidlaren. Al op negenjarige leeftijd werd Lodewijk cadet bij de Hollandse zeemacht en in 1789 kreeg hij de rang van Luitenant ter zee. Net als zijn ouders was Lodewijk een trouw aanhanger van Oranje. Hij begeleidde stadhouder Willem V in 1795 tijdens zijn vlucht naar Engeland. Bij terugkeer werd Lodewijk gearresteerd en gevangengezet in Den Haag. Na twee maanden kwam door tussenkomst van de Franse generaal Pichegru een eind aan de gevangenschap. Lodewijk vroeg en kreeg daarna ontslag uit militaire dienst en vestigde zich in Zuidlaren. Nog hetzelfde jaar trad Lodewijk van Heiden echter in dienst van de Russische tsaar. Rusland bereidde zich voor op een oorlog met het Frankrijk van Napoleon Bonaparte en was daarom bezig met de opbouw van een marine. Het land kon zijn kennis en vaardigheden dus goed gebruiken.

Het eerste grote wapenfeit van Lodewijk van Heiden in Russische dienst was in 1813 het beleg van Danzig, waar de Franse troepen zich verschanst hadden na de smadelijke terugtocht uit Rusland. De Russische marine, met Van Heiden als een van de commandanten, grendelde de stad af van de zee, waarop de Fransen zich moesten overgeven. Echt beroemd werd Lodewijk pas in 1827. Op 20 oktober van dat jaar voerde de toen 53-jarige Lodewijk van Heiden het bevel over de Russische troepen tijdens de Slag bij Navarino, de laatste grote zeeslag die uitsluitend met zeilschepen werd bevochten. Griekenland was al eeuwen ongewild deel van het Turkse Rijk en de grootmachten Frankrijk, Engeland en Rusland vonden dat daar maar eens een einde aan moest komen. Lodewijk voerde het bevel over het vlaggenschip ´Azov´ en acht andere oorlogsschepen. Hij ontsnapte tijdens deze slag ternauwernood aan de dood toen het halfdek waar hij zich bevond door een kanonskogel werd getroffen. Onder leiding van de Britse bevelhebber Edward Codrington en samen met de Franse admiraal Henri de Rigny lukte het Lodewijk om de Turks-Egyptische zeemacht te verslaan. Deze slag bracht een beslissende wending in de Griekse vrijheidsstrijd. Het drietal staat in Griekenland bekend als Tris Navárchi (de drie admiraals). De overwinning leverde hem de rang van viceadmiraal op en verschillende onderscheidingen. De Grieken zagen de admiraals als hun verlossers van de Turkse overheersing. Lodewijk was vanwege zijn bijdrage aan de bevrijding van hun land geliefd bij de Grieken en zij noemden hem liefkozend Bebe, ‘vadertje’. In 1832 keerde Lodewijk terug naar Zuidlaren, maar kon daar niet meer aarden. In 1833 werd hij in elk geval benoemd tot opperbevelhebber van de haven in Reval, het huidige Tallinn -hoofdstad van Estland-, en in 1835 werd hij bevorderd tot admiraal en militair commandant van Reval. Hier overleed hij in het jaar 1850.

 

slag-bij-navarino

 

Hoewel Lodewijk van Heiden slechts enkele korte periodes in zijn leven in Zuidlaren heeft doorgebracht, is zijn familie wel verbonden met het dorp. Het is daarom niet onlogisch dat er in Drenthe een liedje over hem zou zijn gemaakt. De tekst dat hij ging varen, of dat nu ‘naar Zuidlaren’ of ‘over de baren’ is, en uiteindelijk nooit weerom kwam zou prima betrekking kunnen hebben op Lodewijk van Heiden. Gezien zijn levensloop zijn er ook wel verklaringen te bedenken voor ‘de weg was recht, de weg was krom’, al wordt dat al iets twijfelachtiger. Het is in elk geval opvallend dat het liedje vrij snel bekend is geworden in heel Nederland, want Lodewijk van Heiden verrichtte zijn arbeid in buitenlandse dienst en genoot, behalve in Griekenland en Rusland, vooral bekendheid in Noord-Nederland. Ook de naam Berend Botje lijkt nauwelijks aan hem te linken te zijn. Zijn Griekse koosnaam Bebe kan worden gelezen als ‘BB’, maar daarmee is de naam Berend Botje nog niet verklaard. Als Lodewijk van Heiden de hoofdpersoon van het liedje zou zijn geweest, zou het veel meer voor de hand hebben gelegen om te zingen dat ‘Lodewijkje’ of ‘admiraaltje’ ging varen.

In 2017 en 2018 is Tynaarlo, waarin Zuidlaren inmiddels is opgegaan, benoemd tot culturele gemeente van Drenthe. Ter ere hiervan wordt een biografie over Lodewijk van Heiden geschreven door Hans van Koningsbrugge, hoogleraar Geschiedenis en politiek van Rusland aan de Rijksuniversiteit Groningen en directeur van het Nederland-Rusland Centrum in Groningen. Hopelijk zal hierbij nieuwe informatie bekend worden, die het mogelijk maakt om Lodewijk van Heiden aan Berend Botje te koppelen. Het zou een perfect moment zijn, want in 2017 viert het beeld van Berend Botje zijn vijftigste verjaardag in Zuidlaren.

Vooralsnog ga ik er echter vanuit dat Lodewijk van Heiden en Berend Botje niets met elkaar te maken hebben en denk ik eerder aan een ander historisch figuur die model heeft gestaan voor Berend Botje. In alle op internet te vinden verklaringen is uitgegaan van de tekst waarin Berend Botje met zijn scheepje naar Zuidlaren gaat. Zoals ik al eerder schreef zijn er ook versies waarin Berend ‘over de baren’ of ‘naar Polaren’ vaart en het is niet uitgesloten dat een van die versies het origineel is. In het tijdschrift Neerlands Volksleven van 1977 schreef volkskundige Dr. Tjaard W.R. de Haan dat Polaren een fantasienaam is, voortkomend uit ‘polka’ en ‘Zuidlaren’. Ik geloof niet dat ik hier serieus op hoef te reageren. Dezelfde De Haan schreef ook dat hij had ontdekt dat er een liedje bestond over ene ‘Barend Botje van Tussenbroek’, zonder zich te realiseren dat daarmee de muziek van het liedje Barend Botje, van de componiste Hendrika van Tussenbroek werd bedoeld.

Met Polaren, dat voorkomt in de versie uit Oost-Friesland (Duitsland), wordt uiteraard gedoeld op het Poolgebied. Daarmee is niet gezegd dat het lied een Duitse oorsprong heeft. Het is mogelijk, en zelfs heel aannemelijk, dat het versje eerst via Groningen haar weg heeft gevonden naar Oost-Friesland en vervolgens de omgekeerde weg heeft gevolgd naar Noord-Nederland, waar de tekst Polaren werd gewijzigd in Zuidlaren. ‘Berend Butjewil in deze versie in elk geval naar het Poolgebied varen. Als dit de originele versie van het lied is, is de Nederlandse zeevaarder Willem Barentsz de enige persoon die in aanmerking komt om model te hebben gestaan voor Berend Butje.

Willem Barentsz werd rond 1550 geboren in Formerum, een dorp op het waddeneiland Terschelling. Hij werd bekend door drie mislukte pogingen om langs het noorden van Europa een doorvaart naar de handelsgebieden van Azië te vinden. Men dacht dat een reis via de noordelijke route gezonder zou zijn voor de bemanning. Tijdens de reizen van de schepen die via Kaap de Goede Hoop naar Azië voeren, raakten de opvarenden uitgeput door de hitte en eisten besmettelijke ziektes vele slachtoffers. Als Azië bereikt kon worden via het noorden, zouden de schepen bovendien de vijandelijke Spaanse en Portugese schepen ontlopen.

Tijdens de eerste poging tot het vinden van een Noordelijke route naar Azië in 1594 volgde Willem Barentsz de kust van Nova Zembla, maar werd door pakijs tegengehouden. Een ander schip, onder leiding van Cornelis Nay, had meer succes en wist in de Karazee door te dringen. Ze vonden een eilandje, dat ze Stateneiland noemden en voeren daarna verder naar het noordoosten. Hier was de zee helemaal ijsvrij. Ze keerden terug naar Nederland in de overtuiging dat de route naar Azië gevonden was. Het succes van Nay leidde tot enthousiasme voor een tweede, grotere expeditie in 1595, onder leiding van Barentsz en Jacob van Heemskerck, samen met onder meer Cornelis Nay en Jan Huigen (van het liedje van de ton, inderdaad) die ook aan de eerste expeditie onder Nay had deelgenomen. De expeditie bestond uit meerdere schepen, volgeladen met handelsgoederen voor China. Er bleek echter veel meer ijs te liggen dan het jaar ervoor en daardoor lukte het deze keer niet om de Karazee te bereiken.

 

barentsz-ijs

 

In 1596 werd een derde en laatste poging ondernomen en hierover zou het liedje van Berend Botje kunnen gaan. Willem Barentsz was de stuurman van het schip van Jacob van Heemskerck. Zij bereikten Nova Zembla, maar het ijs bleek zo ondoordringbaar dat ze niet verder konden varen. Terug konden ze echter ook niet meer. Het schip zat in de val en vroor uiteindelijk vast in het ijs. Omdat het schip onvoldoende bescherming bood tegen de strenge vorst besloten ze van aangespoeld drijfhout, deels boomstammen die door de stroming naar Nova Zembla waren gebracht en deels planken afkomstig van hun eigen door het pakijs kapotgebeukte schip, een noodonderkomen te bouwen, dat zij Het Behouden Huys noemden. Hier brachten zij de winter door. Half mei werd begonnen met de bouw van een tweede sloep zodat alle zeventien opvarenden meekonden op de terugreis. Op 13 juni 1597 waren ze klaar voor vertrek. De mannen waren erg verzwakt en sommigen vertoonden tekenen van scheurbuik. Ook Willem Barentsz was ernstig ziek. Twaalf opvarenden zouden eind augustus de Russische nederzetting Kildin bereiken, waarna zij door Nederlandse handelsschepen die toevallig in het nabijgelegen Kola gelegen waren, werden meegenomen naar huis. Willem Barentsz was hier niet meer bij. Hij stierf aan boord van een sloep, een week na aanvang van de terugtocht vanuit Nova Zembla en kreeg een zeemansgraf.

Aan het eind van de 16e en begin van de 17e eeuw viel Terschelling onder Hollands bestuur. Dat maakt het niet aannemelijk dat er in die tijd een lied over Willem Barentsz zou zijn ontstaan in Noord-Nederland of in Oost-Friesland. Het mislukken van de expedities zorgde er ook voor dat Willem Barentsz snel uit het geheugen verdween. Dat veranderde echter in 1871 toen de resten van Het Behouden Huys werden gevonden door de Noorse walvisvaarder Elling Carlse. Opeens was het verhaal van Willem Barentsz weer actueel en dat werd nog eens versterkt toen Nederland vanaf 1875 ging meedoen aan een internationaal gecoördineerd poolonderzoek. Terschelling, het geboorte-eiland van Willem Barentsz, was toen onderdeel van Friesland. Dit maakt het aannemelijk dat er in die periode in Noord-Nederland of Oost-Friesland een lied over Willem Barentsz zou zijn ontstaan en het is volstrekt logisch dat dit lied dan in heel Nederland bekend zou worden. In dezelfde periode ontstond ook het lied ‘Jan Huigen in de ton’ dat gaat over een gebeurtenis tijdens de tweede poging tot het vinden van een Noordelijke route naar Azië.

Net als bij Lodewijk van Heiden, valt het bij Willem Barentsz nog niet mee om de bijnaam Berend Botje te verklaren. Willem Barentsz leefde in een tijd dat er nog geen achternamen werden gebruikt. Barentsz betekent Barentszoon, en kan ook worden geschreven als Barents, Barends, Berents of Berends. Het Duitse woord butjer (buttje, buttjer) betekent jongen. Berend Buttje zou daarom kunnen worden uitgelegd als Berend´s jongen, oftewel Barentszoon. Het is geen erg sterke verklaring, maar wel beter dan de tot nu toe geopperde verklaringen voor de naam. De betekenis van het liedje is dan:

Berend Botje ging uit varen (Barentszoon ging uit varen)

Met zijn scheepje naar Polaren (Met zijn scheepje naar het Poolgebied)

De weg was recht, de weg was krom (Eerst was er water, daarna ijsschotsen)

Nooit kwam Berend Botje weerom (Barentszoon kwam nooit meer terug)

 

 

©Bert van Zantwijk

Overname van (delen van) dit artikel is uitsluitend toegestaan onder vermelding van de naam van de auteur en/of een link naar dit artikel.

Advertenties