In het centrum van IJsselstein staat een beeld van Fulco de Minstreel, een jongeman met een luit in de hand en een zwaard in de schede. Het beeld is in 1980 vervaardigd door de beeldhouwers Peter Siccama en Martijn Vergouw en in 1983 door de RABO-bank geschonken aan de stad. Ook het Fulcotheater en het Fulco Mannenkoor, beiden in IJsselstein, verwijzen naar hem. Maar wie was nu eigenlijk Fulco de Minstreel?

De gemeente IJsselstein schrijft op haar website: Het standbeeld van Fulco de Minstreel herinnert inwoners van IJsselstein aan de trouw van de dappere schildknaap Fulco aan de stad IJsselstein. Al vele jaren heeft Fulco met zijn minstreel in de hand standvastig zijn plek in het centrum van de stad, op de hoek van de Schuttersgracht. Fulco met zijn minstreel in de hand? Tja!

Het beeld heeft sinds 2013 een nieuwe locatie op de Overtoom. Bij het beeld is een granieten plaat geplaatst met de tekst:

Fulco, 1279 – 1363,

De oude stad van IJsselstein

Laat hier jouw moed en daden fel

Jouw liederen en snarenspel

In brons en steen vereeuwigd zijn

Die geboorte- en sterfdatum zijn een verzinsel van de RABO-bank, want Fulco heeft niet echt bestaan. Hij is de hoofdpersoon uit de jeugdroman ‘Fulco de Minstreel’ uit 1892 van Cornelis Johannes Kieviet, een schrijver die vooral bekend is geworden door zijn boeken over Dik Trom. Het boek is een geromantiseerd verhaal over een historische gebeurtenis die zich heeft afgespeeld rondom Gijsbrecht van IJsselstein en zijn vrouw Bertha van Heukelom.

 

Fulco de minstreel3

 

In 1296 werd Floris V, graaf van Holland, ontvoerd door ontevreden edelen die hem wilden dwingen om af te treden. Toen er een poging werd gedaan om hem te bevrijden, werd Floris door Gerard van Velzen doodgestoken. Daarna vluchtte Van Velzen naar kasteel Cronenburgh, dat in handen was van de familie Van Amstel. Gijsbrecht van IJsselstein, telg uit de familie Van Amstel, werd verdacht van medeplichtigheid bij de ontvoering en toen hij in de opgelaaide strijd tussen Holland en Het Sticht weigerde om Hollandse troepen op zijn kasteel te huisvesten, werd hij gevangen gezet. Vervolgens werd het kasteel van IJsselstein door de Hollanders aangevallen. Bertha van Heukelom, de vrouw van Gijsbrecht, wist echter langdurig stand te houden.

Kieviet heeft de gevangenneming van Gijsbrecht en de belegering van kasteel IJsselstein gebruikt als basis voor zijn boek over Fulco de Minstreel. Het verhaal speelt zich af in 1297. Gijsbrecht van IJselstein, toen nog met één S, is op weg naar Heukelom waar zijn aanstaande bruid Bertha woont. Hij zal in Heukelom met haar trouwen en haar vervolgens meenemen naar IJsselstein. Gijsbrecht wordt omschreven als een ´schoonen jonkman van hoogstens vijfentwintig jarigen leeftijd´met blonde krullen, die uiteraard ´een koene blik en fiere houding´ heeft.

Gijsbrecht wordt op zijn tocht naar Heukelom vergezeld door zijn schildknaap Jonker Jan van Asperen en door zijn dienstman Fulco. Jan van Asperen wordt door Kieviet omschreven als ongeveer zeventien jaar, eerlijk en trouwhartig, maar met meer moed en woeste kracht dan schranderheid. En dan is er uiteraard Fulco, de held in het verhaal van Kieviet en het onderwerp van dit artikel. Hij wordt door Kieviet omschreven als ´een vroolijke jongen van ongeveer twintig jaar, die de grootste heldenstukken met onverstoorbare kalmte verricht´. Gijsbrecht zou in 1296 hebben deelgenomen aan de belegering van Cronenburgh en daarbij heeft Fulco hem het leven gered. Fulco weet hierdoor dat hij zich wel iets kan veroorloven en gedraagt zich veel vrijpostiger dan je van een dienstman zou verwachten. Zijn kameraden noemen hem ´Fulco den Minstreel´, omdat hij hen op feestdagen vaak vermaakt met liedjes.

 

fulco de minstreel2

 

In het boek is Gijsbrecht van IJsselstein ´de goeierik´, Hendrik van Vianen ´de slechterik´ en Fulco de held die Gijsbrecht redt uit de handen van Hendrik. Die rolverdeling wordt al in het eerste hoofdstuk duidelijk. Gijsbrecht, Jan van Asperen en Fulco worden op weg naar Heukelom overvallen door noodweer en besluiten te gaan schuilen in een verlaten hut. Als zij daar aankomen horen zij een vrouw om hulp roepen. Gijsbrecht en Jan rennen naar binnen en treffen daar Jonkvrouw Bertha van Heukelom, die hen tegemoet was gereden, en eveneens had besloten om in de hut te gaan schuilen. Daar was zij echter aangevallen door een gemaskerde man die haar trachtte te beroven. Terwijl Gijsbrecht en Jan de hut doorzoeken ziet Fulco, die buiten bij de paarden was gebleven, de boef naar buiten vluchten en hij slaagt er nog net in om hem met zijn zwaard een klap op de kop te geven. De boef weet echter te ontkomen.

Het tweede hoofdstuk speelt zich af op slot Heukelom, waar ter ere van het aankomende huwelijk een riddertoernooi zal worden gehouden. Fulco is bezig om het paard van Gijsbrecht te verzorgen, als Jonker Jan hem gezelschap komt houden. Zij bespreken het komende toernooi en vragen zich af of de Heer van Vianen, die nog nooit is overwonnen, ook aan het toernooi zal deelnemen. Precies op dat moment komt Hendrik van Vianen de poort binnenrijden met zijn dienstman. Hendrik, die te herkennen is aan zijn ´trotsch en barsch´ uiterlijk, laat zich daarbij direct van zijn slechtste kant zien door op barse toon bevelen te geven aan Jan en Fulco en te gaan schelden en tieren als de bevelen niet worden opgevolgd. De dienstman van Hendrik wordt omschreven als een man met een galgentronie. Ondanks het warme weer houdt hij zijn kap over het hoofd. Het valt Fulco direct op dat de kap er morsig en gevlekt uitziet en aan de achterkant is hersteld met garen. Hierdoor weet Fulco dat dit de boef is die Jonkvrouw Bertha heeft aangevallen. We hoeven bij Kieviet in elk geval niet te raden naar wie onze sympathie dient uit te gaan.

 

riddertoernooi

 

Gijsbrecht en Bertha worden door de bisschop in de echt verbonden. Dan begint het toernooi. Gijsbrecht en Bertha hebben een ereplaats bij de hoge tent. De ridders betreden in optocht het toernooiveld en rijden enkele ronden om zich te presenteren en het bruidspaar te groeten. Daarna worden de toernooireglementen voorgelezen en worden de ridders in twee teams verdeeld die zich elk aan een kant van het toernooiveld opstellen en een aanvoerder kiezen. Hendrik van Vianen is één van de twee aanvoerders en zijn team wint de teamwedstrijd. Na een pauze om de uitrustingen in orde te brengen is het tijd voor de individuele gevechten. Er vinden verschillende man-tegen-man gevechten plaats. Uiteindelijk blijft Hendrik van Vianen over. Hij daagt de ridders uit tegen hem te strijden, maar er komt geen ridder meer het strijdperk binnenrijden. Bij de derde en laatste oproep verschijnt er echter opeens een ridder die met gesloten vizier laat weten de uitdaging aan te nemen. De onbekende ridder wint van de tot dan toe onoverwonnen Hendrik van Vianen en als hij zijn vizier omhoog doet, blijkt het Gijsbrecht te zijn.

Onder het schetteren van bazuinen en klaroenen keren de edelen terug naar het slot om zich klaar te maken voor de feestdis. Er is eten en drinken in overvloed, er wordt gezongen en iedereen is in een opperbeste stemming. Het valt niemand op dat Hendrik van Vianen niet aan de feestvreugde deelneemt. Dat verandert als de bisschop een toost uitbrengt op ´de schoone bruid en de dappere overwinnaar´.  Als de bisschop Hendrik aanspreekt op het feit dat hij niet meeproost, zegt Hendrik dat de wedstrijd niet eerlijk is verlopen en dat Gijsbrecht op een eerlijke manier nooit van hem zou hebben gewonnen. Alle edelen gaan tegen Hendrik in en, in het nauw gedreven, daagt Hendrik Gijsbrecht uit voor een zwaardgevecht. Gijsbrecht trekt zijn zwaard, maar steekt deze weer weg als hij ziet dat Hendrik van Vianen zo dronken is dat hij staat te wankelen op zijn benen. Hij gelast Hendrik te gaan slapen, maar Hendrik zegt dat hij geen seconde langer in het slot wil blijven.

 

fulco de minstreel4

 

Hendrik gaat naar de andere kant van het slot, waar de bedienden verzameld zijn. Ook hier is het onrustig. Fulco heeft de gasten vermaakt met een liedje waarin hij de gebeurtenissen in de hut beschreef en heeft daarna Peer, de dienstman van Hendrik, aangewezen als de aanvaller van Jonkvrouw Bertha. De bedienden willen vervolgens Peer naar de burchtzaal brengen om berecht te worden. Als Hendrik arriveert ziet hij hoe Peer door de bedienden wordt weggesleurd en opnieuw trekt hij zijn zwaard. Gijsbrecht, die achter Hendrik is aangelopen, beveelt echter dat de dienstman moet worden losgelaten, zodat Hendrik kan vertrekken. Hendrik van Vianen verlaat woedend slot Heukelom en Gijsbrecht van IJsselstein heeft er vanaf dat moment een vijand bij.

Twee weken later gaat Gijsbrecht naar slot Sandenburgh in Veere om als gevolmachtigde van de bisschop te onderhandelen met Graaf Jan 1, minderjarige zoon van de vermoorde Floris V en de nieuwe graaf van Holland en Zeeland, en zijn raadsheer Wolfert van Borssele (zie ook: In Den Haag daar woont een graaf) over de voorwaarden voor vrede tussen Utrecht en Holland. Fulco reist met hem mee en Jonkheer Jan van Asperen krijgt de zorg over het kasteel in IJsselstein. Al snel blijkt dat Wolfert, die tot aan de vijftiende verjaardag van Graaf Jan het bestuur over Holland voert, slechts vrede wil stichten als de bisschop afstand doet van zijn leenheerschappij over Amstel en Woerden. Gijsbrecht, die van de bisschop opdracht heeft gekregen om tegen elke prijs vrede te sluiten, heeft geen andere keuze dan de voorwaarde van Wolfert te accepteren en ondertekent het traktaat.

Daarna wenst Wolfert van Borssele nog iets persoonlijks met Gijsbrecht te bespreken. Hij vraagt hem wat de houding van Gijsbrecht zal zijn als de bisschop het gesloten vredesakkoord zou schenden. Gijsbrecht antwoordt dat hij die stap zou afkeuren, maar dat hij als Maarschalk van Utrecht en als leenheer van de graaf van Holland tegen de graaf noch de bisschop het zwaard zou voeren. Dan komt een schildknaap melden dat een renbode uit Holland belangrijke informatie komt brengen en om directe toegang heeft verzocht. Het blijkt Hendrik van Vianen te zijn. Hendrik meldt dat de bisschop Holland is binnen gevallen. Wolfert vraagt dan aan Gijsbrecht toestemming om troepen op zijn kasteel in IJsselstein te mogen huisvesten, maar Gijsbrecht weigert. Hierop dreigt Wolfert om Gijsbrecht gevangen te nemen. Gijsbrecht wijst Wolfert op het feit dat hij als gezant onschendbaarheid geniet en herhaalt dat hij zich niet tegen de bisschop zal keren. Daarna trekt Gijsbrecht zijn zwaard en gaat er vandoor. Niemand durft hem tegen te houden. Buiten staat Fulco al te wachten met de paarden.

Gijsbrecht en Fulco vluchten en trachten aan hun achtervolgers te ontkomen door een onlogische route te volgen. Dit lijkt te lukken, maar vlak voor IJsselstein worden zij in een hinderlaag gelokt door Hendrik van Vianen. Terwijl Fulco op afstand wordt gehouden, wordt Gijsbrecht gevangen genomen en geboeid afgevoerd naar het slot van Hendrik van Vianen in Culemborg. Daar wordt hij langs een trap naar beneden gevoerd en in de kerker gegooid.

 

fulco de minstreel5

 

Fulco keert alleen terug in IJsselstein. Er wordt gedacht aan het verzamelen van mankrachten om het slot in Culemborg aan te vallen, maar als snel realiseren zij zich dat Hendrik in dat geval Gijsbrecht zal doden. Er is een list nodig. Fulco stelt voor om de zoon van Hendrik van Vianen te ontvoeren en te ruilen tegen Gijsbrecht. Het plan wordt aangenomen en Fulco vertrekt naar Culemborg. Vlakbij het slot komt hij Peer, de dienstman van Hendrik, tegen. Hij papt met hem aan door zijn verontschuldigingen aan te bieden voor zijn onterechte beschuldiging dat Peer de aanvaller van Jonkvrouw Bertha was geweest en maakt hem wijs dat de werkelijke dader inmiddels is gepakt en berecht. Uiteindelijk lukt het hem om Peer om te kopen met de zak met goudstukken die Jonkvrouw Bertha hem heeft meegegeven. Peer gaat naar het slot en komt enkele uren later terug met het kind. Fulco neemt het kind over, stelt het gerust en samen met Peer rijden zij terug richting IJsselstein. Vlak voordat zij slot IJsselstein bereiken worden zij achterhaald door troepen van Hendrik van Vianen. Fulco geeft het kind aan Peer en gelast hem het kind het slot in te brengen. Zelf wacht hij de troepen van Hendrik op in een poging hen op te houden. Maar dan krijgt hij hulp van een aantal ruiters uit slot IJsselstein en slaan de troepen van Hendrik op de vlucht.

Hendrik van Vianen is woedend. Hij brengt zijn gevangene Gijsbrecht naar Dordrecht, waar hij hem laat opsluiten in een kerker van Crayenstein, het slot van Aloud van Ierseke, de baljuw van de graaf. Nog dezelfde dag begint hij met zijn troepen met de belegering van slot IJsselstein. Daarbij maakt hij gebruik van een Kat-constructie, een houten afdak die de aanvallers bescherming biedt tegen pijlen en waaronder materialen kunnen worden meegenomen die nodig zijn om een slotgracht te dempen en een rammei om de slotmuur te slopen. De verdedigers van slot IJsselstein besluiten als het donker wordt om een uitval te doen om de Kat te vernietigen. Ook Fulco is bij de uitval aanwezig, maar als de belegeringswerktuigen in brand staan maakt Fulco van de gelegenheid gebruik om er ongezien vandoor te gaan.

Fulco wil een poging wagen om Gijsbrecht vrij te krijgen. Hij gaat als eerste naar het slot in Heukelom, waar hij de nacht doorbrengt en de ouders van Bertha op de hoogte brengt van de situatie. Hier hoort hij dat Gijsbrecht naar Dordrecht is overgebracht. Daarna gaat hij naar Utrecht en als hij daar weer vertrekt heeft hij zijn uiterlijk veranderd en een mars gevuld met producten. Fulco trekt van kasteel naar kasteel en verkoopt zijn producten als marskramer. Hij stopt met scheren en laat een baard en snor staan. En zo komt hij uiteindelijk als een ervaren marskramer aan bij slot Crayenstein. Hij slaagt erin om het slot binnen te komen en mag zelfs in de bediendenvleugel blijven slapen. Zijn poging om de sleutels van de kerker te stelen mislukt echter jammerlijk.

Daarna gaat Fulco naar Vlaanderen. Hij oefent lange tijd op het maken van muziek en huurt daarna een aantal muzikanten in die samen met hem muziek gaan maken. Als ze voldoende repertoire hebben gaan ze naar het slot in Dordrecht waar een feest wordt gehouden. Eerst spelen zij voor Heer Aloud en zijn gasten. Daarna treden zij op voor de dienstmannen van Aloud en zij gaan daarmee door tot allen stomdronken zijn en uiteindelijk in slaap vallen. Dan stelen zij de bos met sleutels van de slapende keldermeester, bevrijden Gijsbrecht en vluchten de donkere nacht in.

 

slapen

 

Jonkvrouw Bertha kan het slot niet langer verdedigen. Peer, de vroegere dienstman van Hendrik, heeft getracht om hen te verraden. Hij had aan Hendrik voorgesteld om de poort te openen als hij dan vrij zou mogen vertrekken en kon slechts op het laatste moment worden betrapt. Hij is in de kerker geworpen. Van de honderd mannen met wie Bertha de verdediging van het slot is begonnen, zijn er nog slechts zestien in leven. Ook onder de vrouwen en kinderen zijn er veel slachtoffers ten gevolge van vallende stenen en ziektes. Bovendien zijn de voedselvoorraden bijna op.  Bertha stelt daarom aan Hendrik van Vianen voor om het slot aan hem over te dragen, inclusief zijn in goede gezondheid verkerende zoontje,  in ruil voor een vrije uittocht voor alle personen die zich in het slot bevinden. Hendrik weigert echter. Hij wil slechts de vrouwen en kinderen vrije uittocht geven. Daarnaast wil hij zijn zoon gezond terug en wil hij dat Peer aan hem wordt uitgeleverd. Bertha en de manschappen wil hij aan Aloud overdragen om berecht te worden. Dit is voor Bertha niet acceptabel, omdat zij zich realiseert dat Aloud hen allen de doodstraf zal geven. Zij zegt daarom tegen Hendrik van Vianen dat ze dan nog liever het slot in brand steekt en in de vlammen omkomt en dat Hendrik daarmee ook het lot bezegelt van zijn zoontje.

Hendrik denkt even na en komt dan met een laatste voorstel. Hij wil de teruggave van zijn zoon en uitlevering van de verrader Peer. Daarnaast wil hij het lot laten beslissen wie terecht wordt gesteld en wie vrij is om te gaan. De helft van de bezetting, waartoe ook Bertha behoort, zal ter dood worden gebracht. Vrouwen en kinderen zijn vrij om te gaan. Bertha vraagt een uur bedenktijd om het voorstel met haar mensen te bespreken. Jonker Jan van Asperen is de enige die tegen het voorstel stemt en dus keert Bertha na een uur terug om Hendrik van Vianen mede te delen dat zij akkoord gaat met zijn voorstel. Daarbij vraagt zij of hij zijn ridderwoord geeft dat de helft van de bezetting vrij zal zijn om te gaan. Dit wordt door Hendrik bevestigd.

Bertha en haar krijgslieden verzamelen op de binnenplaats. Hier dankt Bertha hen voor hun trouw en neemt van elk van hen persoonlijk afscheid. Daarna komen de vrouwen en kinderen afscheid nemen. Tot slot wordt Peer uit de kerker gehaald en naar de binnenplaats gebracht. Dan wordt de poort geopend en verlaten de vrouwen en kinderen met gebogen hoofd het slot. De rijen der vijanden openen zich om hen door te laten. Daarna rijdt Hendrik van Vianen de binnenplaats op, gevolgd door zijn mannen. Bertha stapt naar voren met het kind van Hendrik aan de hand. Hendrik van Vianen neemt het kind aan, kust het en geeft het kind daarna door aan een dienaar. Dan rukt Peer zich los en werpt zich kermend voor de voeten van zijn voormalige meester. Hendrik trekt zijn zwaard en geeft hem daarmee een slag in het gelaat. Daarna geeft hij opdracht om Peer op te sluiten. Hij richt zich tot Bertha en vraagt waar de bezetting is die zich aan hem zou overgeven. Bertha wijst op de vijftien mannen om haar heen en zegt dat dit de volledige bezetting is.  Hendrik is beschaamd dat zo´n kleine bezetting zo lang weerstand heeft kunnen bieden aan zijn mannen. Hij laat ze opsluiten in de kerker, zendt vervolgens een renbode naar Den Haag om de Graaf en Wolfert van Borssele op de hoogte te stellen van de val van IJsselstein en laat daarna Peer uit de kerker halen.

 

radbraken

 

Hendrik veroordeelt Peer tot radbraking. Hij wordt aan een rad vastgebonden, waarna zijn ledematen een voor een worden gebroken. Peer sterft op een gruwelijke manier. Nadat Hendrik zijn kind met een gewapende geleide heeft laten terugbrengen naar zijn kasteel, brengt hij zijn gevangenen in triomf naar Dordrecht.

Op het marktplein voor het stadhuis in Dordrecht staan acht galgen klaar. De poorters (letterlijk: mensen die het recht hebben om zich na de avondsluiting van een stadspoort nog in de stad op te houden) van Dordrecht komen naar het plein om de terechtstellingen bij te wonen. Zij zijn het niet met de vonnissen eens, maar durven daar niet voor uit te komen. Een monnik heeft minder angst en roept verwensingen over baljuw Aloud en Wolfert van Borssele. Diverse poorters nemen de verwensingen over en er ontstaat een grimmige sfeer op het plein. Aloud zendt de Schout en zijn schutters naar het plein om de orde te herstellen. Het gejoel wordt hiermee gesmoord, maar de grimmige sfeer op het plein blijft bestaan. Aloud glimlacht als hij het gejoel en de dreigementen hoort verstommen. Hij beschouwt het als een teken van angst voor zijn macht. Hij begeeft zich naar de rechtszaal waar de schepenen al op hem wachten. Hendrik van Vianen wordt verzocht de rechtszaal te betreden en de gevangenen worden binnen geleid door gewapende krijgslieden.

 

fulco de minstreel6

 

Daarna laat Aloud de deuren openen, zodat de poorters aanwezig kunnen zijn bij het proces. De zaal stroomt vol en er heerst een ademloze stilte. Als eerste krijgt Hendrik van Vianen het woord. Hij vertelt welke voorwaarden zijn overeengekomen bij de overgave: vrije uittocht voor vrouwen en kinderen, teruggave van zijn kind, uitlevering van de dienaar die hem verraden heeft en de doodstraf via loting voor de helft van de bezetting van slot IJsselstein. Daarna vraagt de baljuw aan Jonkvrouw Bertha of zij deze bepalingen erkent. Bertha zegt dat ze de bepalingen erkent, maar voegt toe dat tevens is overeen gekomen dat de helft van de bezetting die door de loting de doodstraf ontkomt de vrijheid zal verkrijgen. Daarna legt de baljuw het verloop van de loting uit. Hij heeft zestien balletjes van was. In elk balletje bevindt zich een penning. Acht balletjes bevatten een Hollandse penning, de andere acht een Leuvense penning. Wie een Hollandse penning treft behoudt het leven, terwijl een Leuvense penning leidt tot de galg.

´Draagt dat de goedkeuring van u allen weg?´, vraagt Aloud. ´Het is schandelijk´ wordt er vanuit het publiek geroepen. Aloud kijkt geïrriteerd naar de menigte, maar kan niet ontdekken wie er heeft geroepen. Bertha kijkt verrast, want zij herkent de stem. Dan staat een van de schepenen op. Het is Heer Nicolaas van Putten, de enige adellijke persoon onder de schepenen. en de enige die zijn stem durft te laten horen. Hij vraagt zich af of het gerechtvaardigd is om een edelvrouw te laten meeloten met haar dienaren. Een gejuich stijgt op uit de menigte. Bertha treedt naar voren en deelt de baljuw mede dat het haar eigen keuze is om hetzelfde lot te ondergaan als haar dienaren omdat zij samen met hen heeft gestreden.

De wasballen worden in een zilveren schaal gedaan en Bertha moet als eerste een bal uit de schaal nemen. Zij trekt een Hollandse penning. Er stijgt een gejuich op en Aloud begint zich te realiseren dat hij erg onvoorzichtig is geweest door de loting in het openbaar te doen plaatsvinden. Na Bertha is Jan van Asperen aan de beurt. Hij trekt een Leuvense penning en zal aan de galg worden gehangen. Als de loting voorbij is gelast Aloud dat de ongelukkigen met een Leuvense penning naar buiten worden geleid, zodat het vonnis direct kan worden voltrokken. Bertha gaat op haar knieën en smeekt Aloud om hen te sparen. Aloud antwoordt dat er geen genade zal zijn voor opstandelingen. De acht ongelukkigen die een Leuvense penning hebben getrokken zullen worden opgehangen en de overige acht zullen in de kerker worden gegooid.

 

smeken

 

Schepen Nicolaas van Putten gaat voor de IJsselsteinse groep staan, trekt zijn zwaard en zegt dat hij niet zal toestaan dat de overeen gekomen voorwaarden worden geschonden. Aloud geeft opdracht om de muiter te arresteren. ´Te wapen!´ roept de monnik en hij stelt zich met getrokken zwaard op naast de Heer van Putten. De aanwezige poorters schreeuwen dat er verraad wordt gepleegd en roepen om de dood van Aloud. Op dat moment komen de schutters de zaal binnen om de orde te herstellen, maar als zij de situatie begrijpen, kiezen ze de kant van hun stadgenoten.

De monnik stapt naar voren richting Hendrik van Vianen en daagt hem uit voor een gevecht. Op het moment dat Hendrik van Vianen met getrokken zwaard op hem toe stapt, trekt de monnik zijn kap naar achteren. Hendrik schrikt als hij ziet dat het Gijsbrecht is. Dan ontstaat er een gevecht, dat wordt beslist als Gijsbrecht met zijn zwaard de schedel van Hendrik verbrijzelt. De poorters hebben dan al van de gelegenheid gebruik gemaakt om zich op Aloud te storten en wraak te nemen voor de jarenlange dwingelandij. Zij slepen hem naar buiten en hangen hem aan een van de voor de IJsselsteiners klaarstaande galgen.

Daarmee is het echter nog niet klaar. Wolfert van Borssele, die nu vrijwel onbeperkte macht heeft, verklaart de Dordtenaars tot oproerlingen en zendt een krijgsmacht om de stad te tuchtigen. De poorters, aangevoerd door Nicolaas van Putten die ondersteund wordt door Gijsbrecht van IJsselstein, weten de stad echter te behouden. Ook in andere steden beginnen protesten te klinken tegen de dwingelandij van Wolfert, waardoor hij zich niet meer veilig voelt in Den Haag en besluit om naar Zeeland terug te keren. Wolfert gaat in Vlaardingen aan boord van een schip, maar wordt achterhaald en gevangen genomen. Hij wordt onder gejuich naar Den Haag gebracht en daarna gevangen gezet in Het Steen in Delft. De poorters van Delft eisen de uitlevering van Wolfert en gaan, als daar geen gehoor aan wordt gegeven, naar Het Steen. Zij slepen Wolfert naar buiten waar zij hem vermoorden. Graaf Jan, die minderjarig is, nodigt hierop zijn neef Jan van Avennes, Graaf van Henegouwen, uit om zijn nieuwe raadsheer te worden. Hij accepteert de uitnodiging en een van zijn eerste daden is om alle schenkingen die van Borssele aan zichzelf en zijn echtgenote heeft gedaan te vernietigen en slot IJsselstein terug te geven aan Gijsbrecht.

Onder gejuich keren Gijsbrecht, Bertha en hun gevolg terug op hun slot. Een dag later verzamelen zij zich in de burchtkapel, waar zij God danken voor de redding en bidden voor de dapperen die in de strijd zijn gevallen. Na de gewone dienst komen twee koorknapen aanlopen die elk een harnas voor het altaar neerleggen. Jan van Asperen en Fulco worden opgeroepen om naar voren te komen en voor het altaar te knielen. De priester pakt een zwaard en zegent het. Daarna treedt Gijsbrecht naar voren, neemt het zwaard aan van de priester en slaat Jan en Fulco tot ridder. Beiden trekken het klaarliggende harnas aan en krijgen door Gijsbrecht gouden sporen aangegespt. In vol ornaat worden zij daarna door de priester gezegend.

Kieviet eindigt het verhaal met de mededeling dat Fulco door Heer Gijsbrecht werd benoemd tot Kastelein (rentmeester, die de goederen van een eigenaar beheert en zijn plaatsvervanger is bij afwezigheid) van slot Heukelom en daar tot het einde van zijn leven heeft gewoond.

 

slot Heukelom

 

Zoals ik aan het begin van dit artikel al schreef bevat het boek van Kieviet een geromantiseerd verhaal rondom een historische gebeurtenis. Dat maakt het interessant om vast te stellen welke gebeurtenissen uit het verhaal echt zijn gebeurd en welke gebeurtenissen door Kieviet zijn verzonnen.

Het begin van het verhaal speelt zich af in 1297 als de ongeveer 25-jarige Gijsbrecht van IJsselstein op weg is naar Heukelom om met Bertha te gaan trouwen. In werkelijkheid was Gijsbrecht van IJsselstein in 1297 ongeveer 37 jaar en al sinds 1280 getrouwd met Bertha van Heukelom. Het riddertoernooi ter ere van dit huwelijk, waarbij Gijsbrecht van IJsselstein de tot dan toen onoverwonnen Hendrik van Vianen zou hebben verslagen, heeft dan ook nooit plaats gevonden.

De figuren Fulco de Minstreel en Jan van Asperen zijn verzonnen. De naam Van Asperen verwijst waarschijnlijk naar de vader van Bertha, Otto van Arkel, Heer van Heukelom en Asperen. Het beeld van Fulco de Minstreel in IJsselstein toont een luitspelende jongeman, terwijl Fulco in het boek van Kieviet viool speelt. Inspiratie voor de naam en de figuur Fulco de Minstreel heeft Kieviet opgedaan in het verhaal ´Lord Cantelou´s minstrel´ uit de verhalenbundel ´London in the Olden Time´ uit 1825. Deze bundel bevat verhalen, die een beeld schetsen van het leven in Londen in de twaalfde tot zestiende eeuw. Lord Cantelou´s minstrel speelt zich af in de dertiende eeuw. In het verhaal doet een dienstman van Lord Cantelou zich voor als minstreel om zijn Heer te redden. Een belangrijke rol in het verhaal is weggelegd voor Lord Fulco.

 

beeld Fulco de Minstreel

 

De ontvoering van het kind van Van Vianen door een van zijn dienstmannen schijnt verrassend genoeg weer wel echt te zijn gebeurd. Het wordt in elk geval vermeld in de Rijmkroniek van Melis Stoke uit 1305. Melis Stoke staat niet bekend om zijn historische correctheid, maar is in dit geval toch een autoriteit. Hij was namelijk van 1296 tot en met 1299 werkzaam als stadsklerk in Dordrecht en heeft het proces tegen IJsselstein van dichtbij meegemaakt. Het blijkt daarbij overigens niet te gaan om Hendrik van Vianen, maar om het kind van Hubrecht van Culemborg. Dat kan kloppen. Hubrecht van Culemborg, ook bekend als Hubert van Bosinchem of als Hubert van Vianen, was belast met de belegering van slot IJsselstein. Het zwaardgevecht in de rechtszaal, waarbij de als monnik verkleedde Gijsbrecht in 1299 de schedel van Van Vianen zou hebben verbrijzeld, is een verzinsel van Kieviet. Hubert van Vianen overleed pas in 1309.

Het is correct dat Aloud van Ierseke door poorters van Dordrecht is vermoord, maar dat had niets te maken met het proces tegen IJsselstein en hij is ook niet aan de galg gehangen. Nadat was vernomen dat Wolfert van Borssele in Delft was vermoord, trok de bevolking van Dordrecht naar slot Crayenstein. Aloud gaf zich over, op voorwaarde dat hij een vrijgeleide zou krijgen. Hij werd meegevoerd naar Dordrecht, waar hij, samen met vijf van zijn metgezellen, door de woedende bevolking werd doodgeslagen. Het is ook onjuist dat Wolfert van Borssele vervolgens een krijgsmacht heeft gezonden om de stad te straffen en dat Nicolaas van Putten en Gijsbrecht van IJsselstein de stad hadden weten te behouden. Wolfert was op dat moment namelijk al drie weken dood. Wolfert was op de vlucht geslagen nadat er een openlijke opstand tegen hem was uitgebroken. Hij was gepakt bij Schiedam en naar Het Steen in Delft gebracht. Toen het volk om zijn uitlevering vroeg werd hij door zijn bewakers uit het raam gegooid, waarna hij voor de ogen van zijn vrouw door de menigte aan stukken werd gescheurd.

In het boek van Kieviet loot Bertha mee met haar mannen. Zij trekt een Hollandse penning, maar de mannen die een Leuvense penning trekken ontkomen aan de terechtstelling. Jan van Avesnes, de nieuwe raadsman van Graaf Jan, schenkt hen als een van zijn eerste daden slot IJsselstein terug. In werkelijkheid heeft Bertha niet meegeloot en zijn de mannen die een Leuvense penning hadden getrokken direct terechtgesteld. Slot IJsselstein werd in leen gegeven aan Gwijde van Avesnes. Pas in 1308, toen de oudste zoon van Gijsbrecht trouwde met de dochter van Gwijde, kreeg Gijsbrecht zijn kasteel terug.

 

©Bert van Zantwijk

Overname van (delen van) dit artikel is uitsluitend toegestaan onder vermelding van de naam van de auteur en/of een link naar dit artikel.

Advertenties