´Catootje´ is een stapellied, een lied waarbij delen uit een couplet worden herhaald in alle volgende coupletten waardoor elk volgend couplet steeds iets langer wordt. De in omgekeerde volgorde herhaalde delen worden een kettingrefrein genoemd, hoewel eigenlijk geen sprake is van een refrein omdat het onderdeel is van een nieuw te vormen couplet. Het kettingrefrein vormt doorgaans een verhaallijn, die humoristisch (en veelal dubbelzinnig) is.

Het lied stamt uit het begin van de 19e eeuw. De meeste mensen kennen echter vooral de versie van Wim Sonneveld. Hij bracht het lied, waarbij Katootje met een K werd geschreven, als een chanson mimé, waarbij de tekst rijk gekostumeerd werd uitgebeeld.

 

 

Ik ben met Katootje naar de botermarkt gegaan

Naar de botermarkt gegaan

Ze kon maken wat ze wou

Ze kon maken wat ze wou

Ze kon maken wat ze wou

Ze kon maken wat ze wou

 

En ze maakte van boter een dominee

Een dominee pardoes

¨In de kerk, in de kerk¨, zei de dominee

¨In de kerk, in de kerk¨, zei de dominee

Een domi-dominee, een domi-dominee

En m´n zuster die heet Kee

En m´n zuster die heet Kee

En m´n zuster die heet Kee

 

En ze maakte van boter een wafelvrouw

Een wafelvrouw pardoes

¨Kom maar binnen, kom maar binnen¨, zei de wafelvrouw

¨Kom maar binnen, kom maar binnen¨, zei de wafelvrouw

¨In de kerk, in de kerk¨, zei de dominee

¨In de kerk, in de kerk¨, zei de dominee

Een domi-dominee, een domi-dominee

En m´n zuster die heet Kee

En m´n zuster die heet Kee

En m´n zuster die heet Kee

 

En ze maakte van boter een toverheks

Een toverheks pardoes

¨´k Zal je pakken, ´k zal je pakken¨, zei de toverheks

¨´k Zal je pakken, ´k zal je pakken¨, zei de toverheks

¨Kom maar binnen, kom maar binnen¨, zei de wafelvrouw

¨Kom maar binnen, kom maar binnen¨, zei de wafelvrouw

¨In de kerk, in de kerk¨, zei de dominee

¨In de kerk, in de kerk¨, zei de dominee

Een domi-dominee, een domi-dominee

En m´n zuster die heet Kee

En m´n zuster die heet Kee

En m´n zuster die heet Kee

 

En ze maakte van boter een kastelein

Een kastelein pardoes

¨Eerst betalen, eerst betalen¨, zei de kastelein

¨Eerst betalen, eerst betalen¨,  zei de kastelein

¨´k Zal je pakken, ´k zal je pakken¨, zei de toverheks

¨´k Zal je pakken, ´k zal je pakken¨, zei de toverheks

¨Kom maar binnen, kom maar binnen¨, zei de wafelvrouw

¨Kom maar binnen, kom maar binnen¨, zei de wafelvrouw

¨In de kerk, in de kerk¨, zei de dominee

¨In de kerk, in de kerk¨, zei de dominee

Een domi-dominee, een domi-dominee

En m´n zuster die heet Kee

En m´n zuster die heet Kee

En m´n zuster die heet Kee

 

En ze maakte van boter een barones

Een barones pardoes

¨In de suite, in de suite¨, zei de barones

¨In de suite, in de suite¨, zei de barones

¨Eerst betalen, eerst betalen¨, zei de kastelein

¨Eerst betalen, eerst betalen¨,  zei de kastelein

¨´k Zal je pakken, ´k zal je pakken¨, zei de toverheks

¨´k Zal je pakken, ´k zal je pakken¨, zei de toverheks

¨Kom maar binnen, kom maar binnen¨, zei de wafelvrouw

¨Kom maar binnen, kom maar binnen¨, zei de wafelvrouw

¨In de kerk, in de kerk¨, zei de dominee

¨In de kerk, in de kerk¨, zei de dominee

Een domi-dominee, een domi-dominee

En m´n zuster die heet Kee

En m´n zuster die heet Kee

En m´n zuster die heet Kee

 

En ze maakte van boter een lichtmatroos

Een lichtmatroos pardoes

¨Mooie benen, mooie benen¨, zei de lichtmatroos

¨Mooie benen, mooie benen¨, zei de lichtmatroos

¨In de suite, in de suite¨, zei de barones

¨In de suite, in de suite¨, zei de barones

¨Eerst betalen, eerst betalen¨, zei de kastelein

¨Eerst betalen, eerst betalen¨,  zei de kastelein

¨´k Zal je pakken, ´k zal je pakken¨, zei de toverheks

¨´k Zal je pakken, ´k zal je pakken¨, zei de toverheks

¨Kom maar binnen, kom maar binnen¨, zei de wafelvrouw

¨Kom maar binnen, kom maar binnen¨, zei de wafelvrouw

¨In de kerk, in de kerk¨, zei de dominee

¨In de kerk, in de kerk¨, zei de dominee

Een domi-dominee, een domi-dominee

En m´n zuster die heet Kee

En m´n zuster die heet Kee

En m´n zuster die heet Kee

 

En ze maakte van boter een dikke meid

Een dikke meid pardoes

¨Lekker zoenen, lekker zoenen¨, zei de dikke meid

¨Lekker zoenen, lekker zoenen¨, zei de dikke meid

¨Mooie benen, mooie benen¨, zei de lichtmatroos

¨Mooie benen, mooie benen¨, zei de lichtmatroos

¨In de suite, in de suite¨, zei de barones

¨In de suite, in de suite¨, zei de barones

¨Eerst betalen, eerst betalen¨, zei de kastelein

¨Eerst betalen, eerst betalen¨,  zei de kastelein

¨´k Zal je pakken, ´k zal je pakken¨, zei de toverheks

¨´k Zal je pakken, ´k zal je pakken¨, zei de toverheks

¨Kom maar binnen, kom maar binnen¨, zei de wafelvrouw

¨Kom maar binnen, kom maar binnen¨, zei de wafelvrouw

¨In de kerk, in de kerk¨, zei de dominee

¨In de kerk, in de kerk¨, zei de dominee

Een domi-dominee, een domi-dominee

En m´n zuster die heet Kee

En m´n zuster die heet Kee

En m´n zuster die heet Kee

 

En ze maakte van boter een ouwe heer

Een ouwe heer pardoes

¨Heel voorzichtig, heel voorzichtig¨, zei de ouwe heer

¨Heel voorzichtig, heel voorzichtig¨, zei de ouwe heer

¨Lekker zoenen, lekker zoenen¨, zei de dikke meid

¨Lekker zoenen, lekker zoenen¨, zei de dikke meid

¨Mooie benen, mooie benen¨, zei de lichtmatroos

¨Mooie benen, mooie benen¨, zei de lichtmatroos

¨In de suite, in de suite¨, zei de barones

¨In de suite, in de suite¨, zei de barones

¨Eerst betalen, eerst betalen¨, zei de kastelein

¨Eerst betalen, eerst betalen¨,  zei de kastelein

¨´k Zal je pakken, ´k zal je pakken¨, zei de toverheks

¨´k Zal je pakken, ´k zal je pakken¨, zei de toverheks

¨Kom maar binnen, kom maar binnen¨, zei de wafelvrouw

¨Kom maar binnen, kom maar binnen¨, zei de wafelvrouw

¨In de kerk, in de kerk¨, zei de dominee

¨In de kerk, in de kerk¨, zei de dominee

Een domi-dominee, een domi-dominee

En m´n zuster die heet Kee

En m´n zuster die heet Kee

En m´n zuster die heet Kee

 

Ik ben met Katootje naar de botermarkt gegaan

Naar de botermarkt gegaan

Ze kon maken wat ze wou

Ze kon maken wat ze wou

Ze kon maken wat ze wou

Ze kon maken wat ze wou

¨Mooie benen, mooie benen¨, zei de lichtmatroos

¨Kom maar binnen, kom maar binnen¨, zei de wafelvrouw

¨´k Zal je pakken, ´k zal je pakken¨, zei de toverheks

¨Eerst betalen, eerst betalen¨,  zei de kastelein

¨In de suite, in de suite¨, zei de barones

¨Heel voorzichtig, heel voorzichtig¨, zei de ouwe heer

¨Lekker zoenen, lekker zoenen¨, zei de dikke meid

¨In de kerk, in de kerk¨, zei de dominee

Een domi-dominee, een domi-dominee

En m´n zuster die heet Kee

En m´n zuster die heet Kee

En m´n zuster die heet Kee

 

 

Wim Sonneveld heeft het lied in 1954 gebruikt in zijn theatershow ´Waar de blanke top´. De tekst van het lied was geschreven door Jean Senn, een pseudoniem van Huub Janssen, een van de twee levensgezellen van Sonneveld, terwijl de kostuums waren ontworpen door Friso Wiegersma, zijn andere levensgezel. Tot de cast behoorden Joop Doderer, die een jaar later bekend zou worden door zijn rol als de zwerver Swiebertje, en Conny Stuart, sinds de jaren ´40 een prominent lid van het Ensemble Wim Sonneveld, die in 1957 met Joop Doderer zou trouwen.

 

dikke meid

 

De tekst van het lied verwijst naar de Jaarmarktkermis op de Botermarkt in Amsterdam, de vroegere naam van het Rembrandtplein. Op de Botermarkt brachten boeren hun boter, kaas, melk en kippen aan de man. Midden op het plein stond het waaggebouw, de vroegere Regulierspoort die na uitbreiding van de stad haar functie als stadspoort was verloren. In september maakten de boeren gedurende drie weken plaats voor een grote kermis. Op de vrijers- en vrijstersmarkt konden jongeren bieden op een kermispartner. Er werd gedanst en gedronken en er waren oliebollen-, poffertjes- en wafelkramen. Voor de stoere jongemannen was er een Kop van Jut en een boksarena waar gevochten kon worden tegen een gerenommeerde kermisbokser. Om de kracht van die bokser te onderstrepen waren de waaghalzen die de strijd aangingen (en verloren) meestal dezelfden die de arena hadden opgebouwd en na de kermis weer zouden afbreken. Er was een tent met een wassenbeeldententoonstelling, er waren als toverheks verklede waarzegsters en tenten waar mismaakte mensen werden tentoongesteld, zoals De Siamese Tweeling en De Dikke Meid. Uiteraard was er vanuit de protestante kerk kritiek op de zedeloosheid op de kermis (In de kerk, in de kerk, zei de dominee), maar dat vond vrijwel geen gehoor. Het laatste couplet van het lied heeft duidelijk een erotische lading, evenals de slotzin ´En m´n zuster die heet Kee´. Kee is een afleiding van Catootje, maar heeft tevens de betekenis zwanger zijn (zie: In de Maneschijn).

In 1962 wilde Sonneveld, met de cast van My Fair Lady waarmee hij twee jaar in het theater had gestaan, televisieshows gaan maken. Die werden uitgezonden door de KRO. Dat was verrassend, omdat de KRO eerder steeds had aangegeven geen behoefte te hebben aan een artiest over wie het gerucht ging dat hij homoseksueel was. De eerste televisieshow, ´Doe eens wat meneer Sonneveld´, werd uitgezonden op 5 december 1962, slechts vijf dagen na de laatste voorstelling van My Fair Lady. De show bestond uit scenes uit eerdere cabaretprogramma´s, aangevuld met liedjes. Het werd zo´n groot succes dat werd besloten de televisieshow nogmaals uit te zenden op Oudejaarsavond.

Het waren vooral de chanson mimees Katootje, met een piepjonge Jasperina de Jong als de toverheks, en Drie Schuintamboers, gezongen door de eveneens nog zeer jonge Marco Bakker, die bij het publiek in de smaak vielen. Hierop besloot Sonneveld om deze nummers op single uit te brengen, die binnen enkele weken de eerste plaats in de hitparade en een tweede plaats in de Top30 bereikte. Dat leverde hem een conflict op met de cast, die financieel niet meedeelde in dit succes. Hoewel Sonneveld zelf op geen van beide nummers te horen was, bleken de contracten dusdanig te zijn dichtgetimmerd dat de rechten volledig bij Sonneveld lagen. Wim Sonneveld was een ster en kon, net als Katootje, maken wat hij wou. Later zou Sonneveld beide nummers ook nog op een verzamelalbum uitgeven. Toen werd Katootje echter geschreven als Catootje, wat overeenkomt met de schrijfwijze in het oorspronkelijke vers uit de 19e eeuw.

 

katootje

 

De melodie van Catootje is afgeleid van de aria ´Non più andrai, farfallone amoroso´ (je zal niet meer weg gaan, geliefde vlinder) uit de opera ´Le nozze di Figaro´ (de bruiloft van Figaro) van Mozart. In 1970 kwam het Cocktail Trio met een versie van Catootje, waarin hiernaar wordt verwezen. In hun versie hebben zij Catootje meegenomen naar de opera. Hier zorgt zij voor onrust door tijdens de voorstelling allerlei bekenden te begroeten.

 

 

Ik ben met Catootje naar de opera gegaan

Naar de opera gegaan

Dat is iets wat ik nooit meer wil

Want d´r kwebbel staat niet stil

Want d´r kwebbel staat niet stil

Want d´r kwebbel staat niet stil

 

En ze zag in de zaal daar de dominee

De dominee pardoes

¨Dat is sterk, dat is sterk, ha die dominee¨

¨Naar de kerk, naar de kerk¨, zei de dominee

 

¨La la la, la la la, la la la la¨

Zong de Figaro zichtbaar verstoord

¨La la la, la la la, la la la la¨

Ging intussen de opera voort

 

En ze zag in de zaal daar de wafelvrouw

De wafelvrouw pardoes

¨Kom maar binnen, kom maar binnen, ha die wafelvrouw¨

¨Ja die binne binne binne binne¨, zei de wafelvrouw

¨Dat is sterk, dat is sterk, ha die dominee¨

¨Naar de kerk, naar de kerk¨, zei de dominee

 

¨La la la, la la la, la la la la¨

Zong de Figaro zeer aangedaan

¨La la la, la la la, la la la la¨

Want hij kon ze haast woordelijk verstaan

 

En ze zag in de zaal daar de toverheks

De toverheks pardoes

¨Laat je maar zakken, laat je maar zakken, ha die toverheks¨

¨´k Zal je pakken, ´k zal je pakken¨, zei de toverheks

¨Kom maar binnen, kom maar binnen, ha die wafelvrouw¨

¨Ja die binne binne binne binne¨, zei de wafelvrouw

¨Dat is sterk, dat is sterk, ha die dominee¨

¨Naar de kerk, naar de kerk¨, zei de dominee

 

¨La la la, la la la, la la la la¨

Riep de Figaro van het toneel

¨La la la, la la la, la la la la¨

Want dat gepraat werd ´m werkelijk te veel

 

En ze zag in de zaal ook de barones

De barones pardoes

¨De elite, de elite, ha die barones¨

¨In de suite, in de suite¨, zei de barones

¨Laat je maar zakken, laat je maar zakken, ha die toverheks¨

¨´k Zal je pakken, ´k zal je pakken¨, zei de toverheks

¨Kom maar binnen, kom maar binnen, ha die wafelvrouw¨

¨Ja die binne binne binne binne¨, zei de wafelvrouw

¨Dat is sterk, dat is sterk, ha die dominee¨

¨Naar de kerk, naar de kerk¨, zei de dominee

 

¨La la la, la la la, la la la la¨

Zong de Figaro, brullend en luid

¨La la la, la la la, la la la la¨

Want hij kwam er haast niet meer boven uit

 

En ze zag in de zaal ook de ouwe heer

De ouwe heer pardoes

¨Niet zo jichtig, niet zo jichtig, ha die ouwe heer¨

¨Het voorzichtig, heel voorzichtig¨, zei de ouwe heer

¨De elite, de elite, ha die barones¨

¨In de suite, in de suite¨, zei de barones

¨Laat je maar zakken, laat je maar zakken, ha die toverheks¨

¨´k Zal je pakken, ´k zal je pakken¨, zei de toverheks

¨Kom maar binnen, kom maar binnen, ha die wafelvrouw¨

¨Ja die binne binne binne binne¨, zei de wafelvrouw

¨Dat is sterk, dat is sterk, ha die dominee¨

¨Naar de kerk, naar de kerk¨, zei de dominee

¨Houwe jullie nou je smoelen¨, riep de Figaro

¨Je zal je familie wel bedoelen, ha die Figaro¨

 

En nog voor ze het doek lieten zakken

Ben ik ´m gauw met Catootje gesmeerd

Want die Figaro kreeg ´t te pakken

Zoiets heeft Mozart nog nooit gecomponeerd

 

 

In 1982 kwam ook Rubberen Robbie met een versie van Catootje, onder de titel ´Ik ben met Katootje…´. Rubberen Robbie was voortgekomen uit de in 1979 opgeheven Glamrockband Catapult. De leden van de band, die samen in een commune woonden, waren eigenaar van productiemaatschappij Cat Music en hadden hierdoor hun eigen geluidsstudio. Zij maakten muziek in verschillende stijlen, onder meer Punk, onder steeds wisselende bandnamen. Onder de naam Rubberen Robbie maakten zij persiflages op bekende liedjes. De naam van de band zelf was een parodie op de Belgische zanger Plastic Bertrand, wiens nummer ´Ça plane pour moi´ door de band werd gewijzigd in ´Geef mij maar drank´.

 

katootje2

 

In ´Ik ben met Katootje…´ steekt Rubberen Robbie de draak met minister-president Van Agt. Voor bewindslieden is een sportief en eenvoudig imago belangrijk. Zij wekten daarom graag de indruk veelvuldig te fietsen. Kamervoorzitter Anne Vondeling (PVDA) verplaatste zich per fiets tussen zijn pied-à-terre in Scheveningen en de Tweede Kamer. Op het Binnenhof aangekomen, stapte hij echter altijd voor de hoofdingang af en verwachtte dan dat een portier naar buiten kwam snellen om het rijwiel in de stalling te zetten. Wim Kok (PVDA) liet zich fotograferen terwijl hij op de fiets, met zijn vrouw Rita op de bagagedrager, het Binnenhof verliet. Dries van Agt (CDA) stond bekend als een groot liefhebber van de wielersport. Hij bezocht meerdere keren de Tour de France en reed in 1979 mee met de Fietselfstedentocht. Ook liet hij zich regelmatig op het Binnenhof fotograferen met een racefiets. Dat deed hij ook in 1982, maar hij had daarbij niet in de gaten dat de racefiets waarop hij tijdens het interview zat een lekke band had.

 

 

Ik ben met Katootje naar de voddenboer geweest

Wat een zootje was ´t daar

¨Wat een zootje, wat een zootje¨, zei de voddenboer

¨Wat een zootje, wat een zootje¨, zei de voddenboer

Een vodde-voddenboer, een vodde-voddenboer

Op een schroefie past een moer

 

Ook zijn we naar de Chinees geweest

Voor een lekker stukkie kip

¨Lekkel eten, lekkel eten¨, zei de Chinees

¨Lekkel eten, lekkel eten¨, zei de Chinees

¨Wat een zootje, wat een zootje¨, zei de voddenboer

¨Wat een zootje, wat een zootje¨, zei de voddenboer

Een vodde-voddenboer, een vodde-voddenboer

Ik heb een schuur vol hondenvoer

 

We zijn met z´n allen naar het stadion geweest

Wat een wedstrijd was me dat

¨Mooie ballen, mooie ballen¨, zei m´n tante Truus

¨Mooie ballen, mooie ballen¨, zei m´n tante Truus

¨Lekkel eten, lekkel eten¨, zei de Chinees

¨Lekkel eten, lekkel eten¨, zei de Chinees

¨Wat een zootje, wat een zootje¨, zei de voddenboer

¨Wat een zootje, wat een zootje¨, zei de voddenboer

Een vodde-voddenboer, een vodde-voddenboer

En we zakken door de vloer

 

Daar vlak om de hoek was een dierentuin

En daar zat een papegaai

¨Hebbie koekies, hebbie koekies¨, zei de papegaai

¨Hebbie koekies, hebbie koekies¨, zei de papegaai

¨Mooie ballen, mooie ballen¨, zei m´n tante Truus

¨Mooie ballen, mooie ballen¨, zei m´n tante Truus

¨Lekkel eten, lekkel eten¨, zei de Chinees

¨Lekkel eten, lekkel eten¨, zei de Chinees

¨Wat een zootje, wat een zootje¨, zei de voddenboer

¨Wat een zootje, wat een zootje¨, zei de voddenboer

Een vodde-voddenboer, een vodde-voddenboer

Geef mij maar Lenny Kuhr

 

¨En wat dag-ie van Vanessa?!?¨

 

Even later zijn we naar het strand gegaan

Nou, ik keek m´n ogen uit

¨Blote knieën, blote knieën¨, zei ome Henk

  ¨Blote knieën, blote knieën¨, zei ome Henk

¨Hebbie koekies, hebbie koekies¨, zei de papegaai

¨Hebbie koekies, hebbie koekies¨, zei de papegaai

¨Mooie ballen, mooie ballen¨, zei m´n tante Truus

¨Mooie ballen, mooie ballen¨, zei m´n tante Truus

¨Lekkel eten, lekkel eten¨, zei de Chinees

¨Lekkel eten, lekkel eten¨, zei de Chinees

¨Wat een zootje, wat een zootje¨, zei de voddenboer

¨Wat een zootje, wat een zootje¨, zei de voddenboer

Een vodde-voddenboer, een vodde-voddenboer

Op de wallen loopt een….. matroos

 

We zijn met z´n allen naar ´t Binnenhof geweest

Naar de minister-president

¨Hij is fietse, hij is fietse¨, zei de portier

¨Hij is fietse, hij is fietse¨, zei de portier

¨Blote knieën, blote knieën¨, zei ome Henk

  ¨Blote knieën, blote knieën¨, zei ome Henk

¨Hebbie koekies, hebbie koekies¨, zei de papegaai

¨Hebbie koekies, hebbie koekies¨, zei de papegaai

¨Mooie ballen, mooie ballen¨, zei m´n tante Truus

¨Mooie ballen, mooie ballen¨, zei m´n tante Truus

¨Lekkel eten, lekkel eten¨, zei de Chinees

¨Lekkel eten, lekkel eten¨, zei de Chinees

¨Wat een zootje, wat een zootje¨, zei de voddenboer

¨Wat een zootje, wat een zootje¨, zei de voddenboer

Een vodde-voddenboer, een vodde-voddenboer

En Van Agt, die wint de Tour

 

¨Kijk nou ´es wie daar rijdt. Hee eeh, wanneer ga jij de Tour de France eens winnen?¨

¨Sapristi! Dat vind ik, dat vind ik donders, donders moeilijk. Want, laten we wel wezen. Wat bedoelt ge eigenlijk met deze opmerking, jongmens?¨

¨Ik bedoel d´r niks mee. Ik zeg alleen maar dat je aardig ken fietse. Ja toch?¨

¨Ach, laat ik d´r dan dit van zeggen: ´t is en ´t was allerbelabbertst om toch weer een bepaalde ondertoon in uw spraakgebruik te bemerken.¨

¨Da´s geen ondertoon, wat je hoort. Da´s je band, die leegloopt, goochem.¨

¨Sapristi!¨

 

Een vodde-voddenboer, een vodde-voddenboer

En Van Agt, die wint de Tour

¨Wis en waarachtig!¨

 

sapristi

 

In 1994 waagde ook André van Duin zich aan een variant op Catootje met als titel ´Het Voetbalstadion´. De tekst van zijn versie is niet interessant om hier te vermelden, maar de opnametechniek wel. Hij maakte daarbij gebruik van de chromakey-techniek. Hierbij worden meerdere opnamen over elkaar gelegd, waardoor alle door hemzelf gespeelde typetjes tegelijk in beeld komen. Deze vorm van trucage werd vaker door hem gebruikt. Al in 1975 reikten Chiel Montagne en André van Duin bij Op Losse Groeven via de chromakey-techniek samen de Zilveren Harpoen uit aan André van Duin.

Weer tien jaar later, in 2004, maakte Paul de Leeuw in zijn programma PaPaul met ´Het Lied van Catootje´ook een variant op het lied. Het was een georganiseerde chaos, zoals bij Paul de Leeuw gebruikelijk is, en duurde maar liefst 18 minuten. De Leeuw gebruikte alle karakters uit de versie van Sonneveld, met uitzondering van de lichtmatroos, en voegde daar een pianist, een man in bad, een struise meid, een homofiel, een valkenier en een oude vrouw aan toe. De cast bestond uit een mengelmoes van zangers en andere bekende Nederlanders, maar er was ook een rol voor een vrouw uit het publiek en voor de moeder van Paul de Leeuw.

In zijn boek ´Spanjer in stukken´ schrijft Maarten Spanjer dat ook hij gevraagd was om mee te doen aan het Lied van Catootje. Op zijn antwoordapparaat stond de boodschap van een redacteur van het programma dat Paul de Leeuw het fantastisch zou vinden als Spanjer hieraan zou willen meedoen. Dat wilde Maarten Spanjer niet. Hij stoorde zich aan het feit dat Paul de Leeuw hem niet zelf had gebeld, als hij het zo fantastisch zou vinden als hij mee zou doen, en het irriteerde hem bovendien mateloos dat er kennelijk verwacht werd dat hij kosteloos zou komen opdraven. In de woorden van Maarten Spanjer: ´Sommige collega´s vinden het heerlijk als ze gevraagd worden. Zij verschijnen handenwrijvend op de set en gaan jubelend aan de slag, maar zelf ken ik dat gevoel alleen als ik mijn vriendin bespring´. Maarten belde zijn loodgieter, die bekend staat om zijn imitatie van een mongooltje. Daarna belde hij de redacteur van het programma met de mededeling dat hij het een eer vond om aan het programma te mogen meedoen en gaf het telefoonnummer van zijn manager, omdat die zijn agenda beheerde. Toen de redacteur dat nummer belde kreeg hij uiteraard de loodgieter aan de lijn, die hem een kwartier aan de praat wist te houden voordat de redacteur de verbinding verbrak. In die tijd had de ´manager´ de eisen voor de deelname van Maarten neergelegd, die bestond uit een kilo Engelse drop, een nieuwe wc-bril (zodat Maarten niet het risico liep om op een door Gordon gebruikte bril te gaan zitten), een lederen Bon Giorno en de aanwezigheid van zangeres Anouk en een zweepje in de kleedkamer. Maarten Spanjer eindigt zijn anekdote met de mededeling dat hij van Paul de Leeuw en zijn redacteur nooit meer iets heeft mogen vernemen.

Met de versie van Paul de Leeuw hebben we alle moderne versies van het lied besproken. Vanaf hier gaan we terug in de tijd, te beginnen met ´Violine´, dat tussen 1900 en 1933 in een groot aantal schriftelijke bronnen werd vermeld. De lyrics van het lied zouden tegenwoordig tot heftige protesten leiden.

 

 

Ik ben met mijn Catootje naar de Rozenstraat geweest

Zij kon maken wat zij maar zag

En ze maakte mij daar een violien

Violine, violine, riep die violien

Violine, violine, en mijn zuster die heet Marie

 

Ik ben met mijn Catootje naar de Rozenstraat geweest

Zij kon maken wat zij maar zag

En ze maakte mij daar een schuiftrompet

Retteketet, retteketet, riep die schuiftrompet

Violine, violine, riep die violien

Violine, violine, en mijn zuster die heet Marie

 

Ik ben met mijn Catootje naar de Rozenstraat geweest

Zij kon maken wat zij maar zag

En ze maakte mij daar een Turksche trom

Rombombom, rombombom, riep die Turksche trom

Retteketet, retteketet, riep die schuiftrompet

Violine, violine, riep die violien

Violine, violine, en mijn zuster die heet Marie

 

Ik ben met mijn Catootje naar de Rozenstraat geweest

Zij kon maken wat zij maar zag

En ze maakte mij daar een wafelenmeid

Kom maar binnen, kom maar binnen, riep die wafelenmeid

Rombombom, rombombom, riep die Turksche trom

Retteketet, retteketet, riep die schuiftrompet

Violine, violine, riep die violien

Violine, violine, en mijn zuster die heet Marie

 

Ik ben met mijn Catootje naar de Rozenstraat geweest

Zij kon maken wat zij maar zag

En ze maakte mij daar een dikke vette meid

Willen we eens zoenen, willen we eens zoenen, riep die dikke vette meid

Kom maar binnen, kom maar binnen, riep die wafelenmeid

Rombombom, rombombom, riep die Turksche trom

Retteketet, retteketet, riep die schuiftrompet

Violine, violine, riep die violien

Violine, violine, en mijn zuster die heet Marie

 

Ik ben met mijn Catootje naar de Rozenstraat geweest

Zij kon maken wat zij maar zag

En ze maakte mij daar een jodenkind

Memmele, memmele, memmele, memmele, riep dat jodenkind

Willen we eens zoenen, willen we eens zoenen, riep die dikke vette meid

Kom maar binnen, kom maar binnen, riep die wafelenmeid

Rombombom, rombombom, riep die Turksche trom

Retteketet, retteketet, riep die schuiftrompet

Violine, violine, riep die violien

Violine, violine, en mijn zuster die heet Marie

 

Ik ben met mijn Catootje naar de Rozenstraat geweest

Zij kon maken wat zij maar zag

En ze maakte mij daar een ouden jood

Wat te sjaggelen, wat te sjaggelen, riep die ouden jood

Memmele, memmele, memmele, memmele, riep dat jodenkind

Willen we eens zoenen, willen we eens zoenen, riep die dikke vette meid

Kom maar binnen, kom maar binnen, riep die wafelenmeid

Rombombom, rombombom, riep die Turksche trom

Retteketet, retteketet, riep die schuiftrompet

Violine, violine, riep die violien

Violine, violine, en mijn zuster die heet Marie

 

Ik ben met mijn Catootje naar de Rozenstraat geweest

Zij kon maken wat zij maar zag

En ze maakte mij daar een zeekapitein

Potverblomme, potverblomme, riep die zeekapitein

Wat te sjaggelen, wat te sjaggelen, riep die ouden jood

Memmele, memmele, memmele, memmele, riep dat jodenkind

Willen we eens zoenen, willen we eens zoenen, riep die dikke vette meid

Kom maar binnen, kom maar binnen, riep die wafelenmeid

Rombombom, rombombom, riep die Turksche trom

Retteketet, retteketet, riep die schuiftrompet

Violine, violine, riep die violien

Violine, violine, en mijn zuster die heet Marie

 

 

Volkswijk De Jordaan in Amsterdam was aan het einde van de 19e eeuw overbevolkt en volledig verpauperd. Er woonden grote gezinnen in erbarmelijke omstandigheden. Armoede werd in die tijd vooral gezien als een opvoedingsprobleem. Misstanden zouden verdwijnen als de arbeidersklasse in contact werd gebracht met ´de verheffende zaken des levens´en de deugd van arbeidzaamheid, zuinigheid, netheid en huiselijkheid zou worden bijgebracht. In 1892 werd hiertoe in de Rozenstraat ´Volkshuis Ons Huis´ geopend. Hier was een leeszaal en kon het volk terecht voor kook-, verstel-, taal-, teken-, toneel-, zang- en muzieklessen en voor gymnastiek, schermlessen en andere activiteiten voor vrijetijdsbesteding.

 

Ons Huis

 

Ons Huis heeft nogal wat weerstanden moeten overwinnen. Het werd door de burgerij gezien als een socialistisch bolwerk, terwijl socialisten het juist weer zagen als een instrument van kapitalisten om het volk te beïnvloeden. In het lied is de ik-persoon zogenaamd met Catootje naar Ons Huis geweest en imiteert daarna wat ze daar hebben gezien. Eerst doet Catootje nog muziekinstrumenten na, maar al snel worden er typetjes nagespeeld. Die typetjes komen overeen met het beeld dat de burgerij had van de doelgroep van Ons Huis en worden op een nogal beledigende wijze beschreven.

Als eerste is daar de wafelenmeid. In een volksbuurt hadden veel vrouwen een handeltje om het schaarse loon van hun partner aan te vullen om rond te kunnen komen. Wafelvrouwen stonden laag in aanzien en de term wafelenmeid maakt de omschrijving nog neerbuigender. Daarna volgt de dikke vette meid die met iedereen wil zoenen, dus een flodderige vrouw met een lage seksuele moraal. Jodenkind was destijds, net als jodenstreek, een scheldwoord om aan te geven dat iemand totaal onbetrouwbaar was en refereerde aan de beschuldiging dat de joden Jezus verworpen en gekruisigd hadden. Joden werden in die tijd gezien als minderwaardig, wat ook blijkt uit het gezegde ´jullie is jodenvolk´.  Nette mensen wilden niet met jullie, maar met U worden aangesproken, maar voor joden was ´jullie´ wel acceptabel. Een ouwe jood was het scheldwoord voor een gierig persoon, iemand die geld genoeg had maar toch altijd uit was op een koopje. Bij Ons Huis kwamen ook personen die niet tot de arbeidersklasse behoorden, maar toch graag gebruik maakten van de activiteiten omdat deze gratis waren. Een zeekapitein tot slot is een opvliegende en grof gebekte alcoholist, zoals kapitein Haddock uit de stripboeken van Kuifje.

Ons Huis was het eerste volkshuis van Nederland en heeft in de twintigste eeuw aan de wieg gestaan van het sociaal-cultureel werk en het club- en buurthuiswerk. Het pand aan de Rozenstraat is later in gebruik geweest als het COC, de Nederlandse Vereniging tot Integratie van Homoseksualiteit. Inmiddels is het pand verkocht aan een hotelketen die er een straight-friendly hotel en ontmoetingsplek voor de LHBT-gemeenschap gaat vestigen.

In 1878, dus veertien jaar voor de opening van Ons Huis,  vinden we in België in ´Chants populaires flamands avec les airs notés et poesies populaires diverses´een versie van Catootje met de titel ´De Lombaardstraat´.

 

 

Mijne man kwam door de Lombaardstraat

En hij kon maken al wat hij zag

En hij kon maken al wat hij zag

En hij maakte daar een trommeltje

En hij maakte daar een trommeltje

Roekedoeke, roekedoeke, zei dat trommeltje

Wie alhier, wie aldaar

En dan waren wij ons drie

En ons dochtertje heet Marie

En ons vrouwtje heet Belsamie.

 

Mijne man kwam door de Lombaardstraat

En hij kon maken al wat hij zag

En hij kon maken al wat hij zag

En hij maakte daar een schuifeltje (=fluitje)

En hij maakte daar een schuifeltje

Fluite fleie, fluite fleie, zei dat schuifeltje

Roekedoeke, roekedoeke, zei dat trommeltje

Wie alhier, wie aldaar

En dan waren wij ons drie

En ons dochtertje heet Marie

En ons vrouwtje heet Belsamie.

 

Mijne man kwam door de Lombaardstraat

En hij kon maken al wat hij zag

En hij kon maken al wat hij zag

En hij maakte daar een Franschman

En hij maakte daar een Franschman

Serviteure, serviteure, zei de Franschman

Fluite fleie, fluite fleie, zei dat schuifeltje

Roekedoeke, roekedoeke, zei dat trommeltje

Wie alhier, wie aldaar

En dan waren wij ons drie

En ons dochtertje heet Marie

En ons vrouwtje heet Belsamie.

 

Mijne man kwam door de Lombaardstraat

En hij kon maken al wat hij zag

En hij kon maken al wat hij zag

En hij maakte daar een Engelschman

En hij maakte daar een Engelschman

Goette goette, verre goette, zei de Engelschman (=good, good, very good)

Serviteure, serviteure, zei de Franschman

Fluite fleie, fluite fleie, zei dat schuifeltje

Roekedoeke, roekedoeke, zei dat trommeltje

Wie alhier, wie aldaar

En dan waren wij ons drie

En ons dochtertje heet Marie

En ons vrouwtje heet Belsamie.

 

Mijne man kwam door de Lombaardstraat

En hij kon maken al wat hij zag

En hij kon maken al wat hij zag

En hij maakte daar een Duitschman

En hij maakte daar een Duitschman

Was der teufel, was der drommel, zei de Duitschman

Goette goette, verre goette, zei de Engelschman

Serviteure, serviteure, zei de Franschman

Fluite fleie, fluite fleie, zei dat schuifeltje

Roekedoeke, roekedoeke, zei dat trommeltje

Wie alhier, wie aldaar

En dan waren wij ons drie

En ons dochtertje heet Marie

En ons vrouwtje heet Belsamie.

 

 

Als bron wordt Von Erlach opgegeven.  In 1834 publiceerde Friedrich Karl Freiherr von Erlach een vijfdelig werk over ´Die Volkslieder der Deutschen´. In het vierde deel vinden we het lied ´Jan Hinnerk´. En daarmee bevinden we ons in Duitsland, om precies te zijn in de regio Hamburg waar het Nederduitse dialect meer verwantschap heeft met het Nederlands dan met het Duits.

 

 

Jan Hinnerk wahnt up de Lammer-Lammerstraat

Up de Lammmer-Lammerstraat

Kan maken wat he will

Swieg man jümmer jümmer still

Un da maak he sick en Geigeken

Geigeken perdautz

Vigolin, Vigolin, sä dat Geigeken

Vigolin, Vigolin, sä dat Geigeken

Un Vigo-Vigolin, un Vigo-Vigolin

Un sin Deern de heet Katrin

 

Un dorbi wahnt he noch jümmer up de Lammer-Lammerstraat

Up de Lammmer-Lammerstraat

Kan maken wat he will

Swieg man jümmer jümmer still

Un dor maak he sick en Hollandsmann

Hollandsmann perdautz

Gottsverdori, Gottsverdori!, sä de Hollandsmann

Gottsverdori, Gottsverdori!, sä de Hollandsmann

Vigolin, Vigolin, sä dat Geigeken

Vigolin, Vigolin, sä dat Geigeken

Un Vigo-Vigolin, un Vigo-Vigolin

Un sin Deern de heet Katrin

 

Un dorbi wahnt he noch jümmer up de Lammer-Lammerstraat

Up de Lammmer-Lammerstraat

Kan maken wat he will

Swieg man jümmer jümmer still

Un dor maak he sick en Engelsmann

Engelsmann perdautz

Damn your eyes, damn your eyes!, sä de Engelsmann

Damn your eyes, damn your eyes!, sä de Engelsmann

Gottsverdori, Gottsverdori!, sä de Hollandsmann

Gottsverdori, Gottsverdori!, sä de Hollandsmann

Vigolin, Vigolin, sä dat Geigeken

Vigolin, Vigolin, sä dat Geigeken

Un Vigo-Vigolin, un Vigo-Vigolin

Un sin Deern de heet Katrin

 

Un dorbi wahnt he noch jümmer up de Lammer-Lammerstraat

Up de Lammmer-Lammerstraat

Kan maken wat he will

Swieg man jümmer jümmer still

Un dor maak he sick en Sponischmann

Sponischmann perdautz

¡Caracho! ¡Caracho!, sä de Sponischmann

¡Caracho! ¡Caracho!, sä de Sponischmann

Damn your eyes, damn your eyes!, sä de Engelsmann

Damn your eyes, damn your eyes!, sä de Engelsmann

Gottsverdori, Gottsverdori!, sä de Hollandsmann

Gottsverdori, Gottsverdori!, sä de Hollandsmann

Vigolin, Vigolin, sä dat Geigeken

Vigolin, Vigolin, sä dat Geigeken

Un Vigo-Vigolin, un Vigo-Vigolin

Un sin Deern de heet Katrin

 

Un dorbi wahnt he noch jümmer up de Lammer-Lammerstraat

Up de Lammmer-Lammerstraat

Kan maken wat he will

Swieg man jümmer jümmer still

Un dor maak he sick en Franzenmann

Franzenmann perdautz

Ik bün Kaiser, ik bün Kaiser, sä Napolium

Ik bün Kaiser, ik bün Kaiser, sä Napolium

¡Caracho! ¡Caracho!, sä de Sponischmann

¡Caracho! ¡Caracho!, sä de Sponischmann

Damn your eyes, damn your eyes!, sä de Engelsmann

Damn your eyes, damn your eyes!, sä de Engelsmann

Gottsverdori, Gottsverdori!, sä de Hollandsmann

Gottsverdori, Gottsverdori!, sä de Hollandsmann

Vigolin, Vigolin, sä dat Geigeken

Vigolin, Vigolin, sä dat Geigeken

Un Vigo-Vigolin, un Vigo-Vigolin

Un sin Deern de heet Katrin

 

Un dorbi wahnt he noch jümmer up de Lammer-Lammerstraat

Up de Lammmer-Lammerstraat

Kan maken wat he will

Swieg man jümmer jümmer still

Un dor maak he sick en Hanseat

Hanseat perdautz

Sla em dot, sla em dot, sä de Hanseat

Sla em dot, sla em dot, sä de Hanseat

Ik bün Kaiser, ik bün Kaiser, sä Napolium

Ik bün Kaiser, ik bün Kaiser, sä Napolium

¡Caracho! ¡Caracho!, sä de Sponischmann

¡Caracho! ¡Caracho!, sä de Sponischmann

Damn your eyes, damn your eyes!, sä de Engelsmann

Damn your eyes, damn your eyes!, sä de Engelsmann

Gottsverdori, Gottsverdori!, sä de Hollandsmann

Gottsverdori, Gottsverdori!, sä de Hollandsmann

Vigolin, Vigolin, sä dat Geigeken

Vigolin, Vigolin, sä dat Geigeken

Un Vigo-Vigolin, un Vigo-Vigolin

Un sin Deern de heet Katrin

 

 

Het is een spotvers, gericht tegen Napoleon. Om de tekst beter te kunnen begrijpen, nemen we eerst de gebeurtenissen uit die tijd even door. Vanaf 1789 was in Frankrijk een revolutie gaande, die was begonnen met de bestorming van de Bastille en gericht was tegen de monarchie en de adel. De revolutie eindigt op 9 november 1799 als het Franse leger een staatsgreep pleegt. Napoleon Bonaparte is hier als brigadegeneraal bij betrokken en benoemt zichzelf na de coupe tot Eerste Consul. Frankrijk is op dat moment al sinds 1792 in oorlog met Engeland. Hoewel in 1802 de vrede tussen beide landen wordt gesloten, laait de strijd een jaar later opnieuw op. In 1804 kroont Napoleon zichzelf tot Keizer van Frankrijk en plant hij een invasie in Engeland. De Franse vloot is echter veel kleiner dan de Engelse vloot. Als Spanje eveneens de oorlog verklaart aan Engeland, ziet Napoleon zijn kans schoon en op 21 oktober 1805 valt een gecombineerde Frans-Spaanse vloot de Engelsen aan. De Engelse vloot blijkt echter veel te sterk en Napoleon moet afzien van een invasie in Engeland. Daarna gaat het snel. Engeland verklaart de kustlijn van Brest tot Hamburg tot verboden gebied voor Franse schepen. Napoleon reageert door elke handel van Europese landen met Engeland te verbieden, waarop Engeland alle schepen verplicht om, ongeacht de bestemming, eerst een Engelse haven aan te doen om gevisiteerd te worden alvorens er toestemming wordt gegeven om de reis voort te zetten. Napoleon reageert hier op door te bepalen dat elk schip dat aan die Engelse voorwaarde voldoet, verbeurd wordt verklaard en in beslag zal worden genomen zodra het schip een door Frankrijk beheerste haven aandoet.

De Europese landen die door Frankrijk beheerst werden zaten hierdoor in een spagaat en dat gold met name voor de Hanzesteden die van de handel afhankelijk waren. Er ontstond een levendige smokkelhandel, waarop Napoleon reageerde door regelmatig invallen te doen in magazijnen, op zoek naar Britse producten. In Hamburg, een van de Hanzesteden die door het Franse leger bezet waren en tevens de stad waar het lied Jan Hinnerk is ontstaan, gingen veel bedrijven failliet. En daarmee komen we bij de betekenis van de tekst van het lied.

Volgens sommige Duitse bronnen zijn de initialen van Jan Hinnerk een directe verwijzing naar God. JH zou de verkorte versie zijn van JHWH (Jahweh), wat een benaming is van God. Zij wijzen op het feit dat er in Hamburg nooit een Lammerstraat (of Lämmerstraße) heeft bestaan, maar dat het Rijk van God zich boven de schapenwolken bevindt. Hoewel deze interpretatie redelijk vergezocht lijkt, blijkt uit de verklaring van de tekst van het lied wel dat met Jan Hinnerk inderdaad wordt gedoeld op de Schepper. De naam Jan Hinnerk lijkt echter eerder te zijn afgeleid van de voormalige blauwe vestingtoren bij een van de vroegere bolwerken in Hamburg, die Isern Hinnerk (IJzeren Hein) werd genoemd. Dit machtige bolwerk heeft Hamburg eeuwenlang beschermd tegen invallen van buitenaf, maar is in 1727 afgebroken. Jan Hinnerk zou dan de personificatie van Isern Hinnerk, de beschermende geest van Hamburg, zijn en daarmee gelijkgesteld kunnen worden aan God.

Jan Hinnerk (God) kan maken wat hij wil en daarbij schept hij zowel het goede als het kwade. Gewone stervelingen hoeven dit niet te begrijpen, want Gods wegen zijn ondoorgrondelijk (Swieg man jümmer jümmer still). In het lied maakt hij allereerst een viool (Geigeken), maar bij een kettingrefrein komen delen in omgekeerde volgorde terug, zodat de viool steeds als laatste terugkomt in elk couplet. Ik zal voor de uitleg van de viool daarom wachten tot het eind van de liedverklaring.

God maakt een Nederlander (Hollandsmann). Franse troepen trokken in 1795 Nederland binnen en maakten Nederland tot een vazalstaat van Frankrijk. In 1806 werd Lodewijk Napoleon, een broer van Napoleon, benoemd tot koning van het koninkrijk Holland, dat behalve Nederland ook het in Duitsland gelegen Oost-Friesland omvatte. Nadat Napoleon zijn broer in 1810 had afgezet, werd Nederland een onderdeel van het keizerrijk Frankrijk. ´Godverdorie´ is de reactie van de Hollanders.

Daarna maakt God een Engelsman. De problemen tussen Engeland en Frankrijk zijn hierboven al uitgebreid besproken. Engeland werd vooral economisch getroffen door het door de Fransen opgelegde embargo op Britse producten. ´Damn your eyes´ is de reactie van de Engelsen.

Vervolgens maakt God een Spanjaard (Sponischmann). Spanje was is het begin een bondgenoot van Frankrijk en streed samen met hen tegen Engeland. In 1808 had Spanje echter te lijden onder een opstand. Om de gemoederen te sussen trad koning Karel lV af ten gunste van kroonprins Ferdinand. Napoleon was het echter niet eens met de keuze van Ferdinand als nieuwe koning. Franse troepen trokken Spanje binnen met het excuus Portugal te willen bezetten, maar eenmaal in Spanje namen zij Ferdinand gevangen en dwongen hem tot aftreden. Daarna bleven de Fransen tot 1813 in Spanje aanwezig als bezettingsmacht. ´¡Caracho!´ (Schiet!) is de reactie van de Spanjaarden. 

Dan maakt God een Fransman (Franzenmann). Dit blijkt Napoleon Bonaparte (Napolium) te zijn. ´Ik ben de keizer´, roept Napoleon, die zichzelf in 1804 tot keizer van Frankrijk had gekroond.

Tot slot maakt God een Hanseat. Dit is de naam voor een invloedrijk persoon uit een (Duitse) Hanzestad, doorgaans een rijke handelaar of een bestuurder. Hamburg was vanaf 1806 bezet door Franse troepen en had als Hanzestad en havenstad enorm te lijden onder het continentaal stelsel (het embargo op Britse producten) en de invallen door de Franse douane in de magazijnen, waarbij alle Britse producten in beslag werden genomen. Tijdens de veldtocht naar Rusland in 1812 verloor Napoleon veel bataljons van zijn Grande Armée en moest als gevolg daarvan zijn manschappen herverdelen. Hierdoor nam het aantal soldaten in de bezette gebieden sterk af. Overal in Europa drong het besef door dat dit de ideale gelegenheid was om Napoleon te verdrijven. In 1813 vormden de Hanseaten uit Hamburg het Hanseatisch Legioen om de overgebleven Fransen uit hun stad te verdrijven en kort daarna sloten ook vrijwilligers uit de Hanzesteden Bremen en Lübeck zich bij dit bevrijdingsleger aan. ´Sla hem dood´, riepen de Hanseaten.

In het kettingrefrein komen al deze personen in omgekeerde volgorde terug. De Hanseat roept op om Napoleon te vermoorden, daarna roept Napoleon dat hij de keizer is, waarna de Spanjaard oproept om te schieten en de Engelsman en de Hollander beginnen te vloeken. Tot slot volgt er vioolmuziek, wat verwijst naar een naderende dood, in dit geval van het Franse Keizerrijk.

 

 

viool

 

 

Het lied wekt de indruk dat de Hanseaten een beslissende rol hebben gespeeld in de uiteindelijke val van Napoleon. Dit is niet juist, want na de veldtocht naar Rusland, waarbij Napoleon een groot deel van zijn leger verloor, was heel Europa doordrongen van het feit dat de val van Napoleon nabij was en na de Slag bij Leipzig werden in heel Europa bevrijdingslegers opgericht. Het lied is echter in Hamburg ontstaan en dus krijgen de Hanseaten in het lied een heldenrol toebedeeld, die zij in werkelijkheid slechts lokaal hadden.

Resteert de vraag wie Katrin is uit de slotregel ´Un sin Deern de heet Katrin´. De Duitse bronnen die de naam Jan Hinnerk herleiden tot de initialen JH als benaming voor God, schrijven dat hiermee werd gedoeld op Sankt Katharinen, een van de vijf hoofdkerken in Hamburg en ten tijde van de bezetting door Napoleon de enige hoofdkerk waar nog diensten werden gehouden, omdat de overige hoofdkerken door het Franse leger waren gevorderd om te dienen als paardenstallen. Ik denk niet dat dit klopt.

In een stapellied wordt toegewerkt naar het laatste kettingrefrein, waarin het lied de uiteindelijke betekenis krijgt. Katrin is dus niet de deern van Jan Hinnerk, maar van Napoleon. De naam zou sarcastisch bedoeld kunnen zijn. Nadat Napoleon was gescheiden van zijn eerste vrouw Joséphine, had hij geprobeerd de Russen aan zijn zijde te krijgen door een huwelijk voor te stellen met Catharina Paulowna, dochter van de Russische tsaar Alexander. Dit plan mislukte, waarna de Russen in 1813 de uiteindelijke ondergang van Napoleon inleidden door hem in de Slag bij Leipzig te verslaan. Dit was de aanzet tot de oproep van de Hanzeaten om Napoleon uit de Hanzesteden te verdrijven. Aannemelijker is echter dat met Katrin werd gedoeld op Catharina von Württemberg. Zij was de vrouw van Jérôme Bonaparte, de jongste broer van Napoleon, en sinds 1807 koningin van het nabij Hamburg gelegen Koninkrijk Westphalen. Omdat haar man afwezig was gedurende de veldtocht in Rusland, was Catharina in die periode regentes. De oproep om Napoleon uit de bezette gebieden te verdrijven was dus tevens een oproep tot het verdrijven van Catharina von Württemberg uit Westphalen.

 

vrolyk catootje

 

Het lied Jan Hinnerk is ook in Nederland bekend geworden onder de naam Jan Hinnerik. Op internet staat geschreven dat het lied Catootje aan Jan Hinnerk is ontleend, maar dit is onjuist. Jan Hinnerk beschrijft de oproep van de Hamburgse Hanseaten om de Franse soldaten uit hun stad te verdrijven. Dit vond plaats in 1813. Sowieso kan het lied nooit voor 1804 hebben bestaan, omdat Napoleon zichzelf pas in dat jaar tot keizer kroonde. We komen echter al een versie van Catootje tegen in het Amsterdamse liedboek ´Het Vrolyk Catootje´ uit 1802. Van de eerste druk van het liedboek, dat in 1801 verscheen, zijn helaas geen exemplaren meer aanwezig, maar op grond van de titel mag worden aangenomen dat het lied ook in dat liedboek was opgenomen.

 

Het Vrolyk Catootje

Een nieuw Lied of Zamenspraak, tusschen een Duitscher, Franschman, Rusch, Engelschman, Jood, Portugees en Hollander, welke alle met Catootje en haar meid in gezelschap zyn geweest.

 

Ons Catootje passeerde door de Lommerstraat,

Zy kan maaken al wat zy ziet,

Dan maakze myn een Duytserman,

Ben je bewokst, ben je bewokst, zeit de Duytserman,

En dan houde zy een praatje,

Met zyn eenen aan een gaatje,

Soele, soele,

Ons Catootje met de Meid gaat mee.

 

Ons Catootje passeerde door de Lommerstraat,

Zy kan maaken al wat zy ziet,

Dan maakze myn een Franschman,

Gaa je wat eeten, gaa je wat eeten, zeit de Franschman,

Dan houde zy een praatje,

Met haar tweeën aan een gaatje,

Soele, soele,

Ons Catootje met de Meid gaat mee.

 

Ons Catootje passeerde door de Lommerstraat,

Zy kan maaken al wat zy ziet,

Dan maakze myn een Schoenmaker fyn,

Kan je trekken zeit de Schoenmaker ryn,

Dan houde zy een praatje,

Met haar drieën aan een gaatje,

Soele, soele,

Ons Catootje met de Meid gaat mee.

 

Ons Catootje passeerde door de Lommerstraat,

Zy kan maaken al wat zy ziet,

Dan maakze myn een Metzelaar,

Ik smeer en bestryk, zeit de Metzelaar,

Dan houde zy een praatje,

Met haar vieren aan een gaatje,

Soele, soele,

Ons Catootje met de Meid gaat mee.

 

Ons Catootje passeerde door de Lommerstraat,

Zy kan maaken al wat zy ziet,

Dan maakze myn een Smouserman,

Ouds kleeren koop roept de Smouserman,

Dan houde zy een praatje,

Met haar vyven aan een gaatje,

Soele, soele,

Ons Catootje met de Meid gaat mee.

 

Ons Catootje passeerde door de Lommerstraat,

Zy kan maaken al wat zy ziet,

Dan maakze myn een Portugees,

ô Way, ô way, zeit de Portugees,

Dan houde zy een praatje,

Met haar zessen aan een gaatje,

Soele, soele,

Ons Catootje met de Meid gaat mee.

 

Ons Catootje passeerde door de Lommerstraat,

Zy kan maaken al wat zy ziet,

Dan maakze myn een Hollanderman,

Pot vol blommen, pot vol blommen, zeit de Hollanderman,

Dan houde zy een praatje,

Met haar zevenen aan een gaatje,

Soele, soele,

Ons Catootje met de Meid gaat mee.

 

 

Het lied Jan Hinnerk is dus afgeleid van Het Vrolyk Catootje, maar latere versies bevatten afleidingen uit beide liedjes. Het lied ´Violine´ heeft als beginregel ´Ik ben met mijn Catootje naar de Rozenstraat geweest´, wat afgeleid is van Het Vrolyk Catootje, terwijl de regel ´Violine, violine, riep die violien´ en de regel ´en mijn zuster die heet Marie´ zijn afgeleid van Jan Hinnerk.

 

 

©Bert van Zantwijk

Overname van (delen van) dit artikel is uitsluitend toegestaan onder vermelding van de naam van de auteur en/of een link naar dit artikel.

Advertenties