Op het platteland hebben jongeren niet veel gelegenheid om een partner te ontmoeten. Er wordt hard gewerkt, er zijn weinig voorzieningen en de afstand tussen de boerderijen is groot. Omdat het voor de continuïteit van de gemeenschap noodzakelijk was dat er nieuwe aanwas zou komen, werden er vroeger in het voorjaar elementen toegevoegd aan kerkelijke activiteiten die gericht waren op de ontmoeting tussen jongens en meisjes. Die elementen werden zo georganiseerd dat de gemeenschap controle kon uitoefenen op de ontmoetingen.

Dat was een direct gevolg van de nabuurplicht. Mensen hadden de plicht om hun naaste buren en hun kerkgenoten te steunen indien dat nodig was. En dat ging ver. Als iemand door ziekte niet in staat was om het land te bewerken, werd het werk verdeeld over de naburen. Maar ook bij geboorte, huwelijk en dood hadden de naburen plichten. Ik zal daar later een aantal artikelen aan wijden. De naburen waren dus belanghebbenden en hadden om die reden ook inspraak in de keuze van de huwelijkspartners van hun mede-naburen. De partnerkeuze moest daarom in alle openheid plaatsvinden, zodat de omgeving toezicht kon houden.

De grootste belanghebbenden waren echter de familieleden van de bruid. Een jongeman die wilde trouwen had daarvoor permissie nodig van de vader van de bruid. Om die permissie te verkrijgen moest hij aannemelijk maken dat hij in staat zou zijn om een gezin te onderhouden. Dat gold niet allen voor zijn vrouw en toekomstige kinderen, maar hij had ook een zorgplicht voor de ouders van de bruid en voor de zussen van de bruid, die ongetrouwd of weduwe waren, indien zij niet (meer) in staat zouden zijn om voor zichzelf te zorgen.

Sociale voorzieningen als AOW en de Nabestaandenwet hebben ervoor gezorgd dat de bemoeienis van de omgeving met de levenskeuzes van een individu zijn afgenomen. Die sociale zekerheid is iets van na de Tweede Wereldoorlog. Pas in 1947 legde Willem Drees met de Noodwet Ouderdomsvoorziening,  de voorloper van de AOW, de basis voor ons huidige sociale stelsel.

Als een jongen en meisje elkaar hadden ontmoet, was de volgende stap een bezoek aan het ouderlijk huis van het meisje. Als de jongen bij zijn eerste bezoek aan zijn uitverkorene een pijp kreeg aangeboden was dat een gunstig teken. Hij mocht dan een week later terugkeren. Kreeg hij bij zijn tweede bezoek de pijp weer aangeboden, waarbij het meisje hem een kooltje vuur gaf, dan was hij als vrijer geaccepteerd. Kreeg hij de pijp niet, dan was hij afgewezen als toekomstige echtgenoot. Het spreekwoord luidt dan ook: ‘Het is geen man die niet roken kan’.

De tabakspijp heeft, sinds de komst van de tabak in het begin van de 17e eeuw, lange tijd een bijzondere betekenis gehad rond vrijen, verloven en trouwen. Beginnen met roken werd eeuwenlang gezien als een initiatieritueel: je gaat de grens over van kind naar de volwassenheid. Je wordt ingewijd in de magie van de volwassenen. Vanaf de 19e eeuw werd de pijp bij sommige rituelen ook wel vervangen door een sigaar. De vorm van een sigaar speelt hierbij mogelijk een rol.

nachtvrijen

Geaccepteerd worden als vrijer moet namelijk heel letterlijk worden genomen. Nu de jongen had aangetoond in staat te zijn om een gezin te onderhouden, was het meisje aan de beurt om aan te tonen dat zij de jongen nageslacht kon geven. Het meisje sliep vanaf dit moment in de opkamer met het raam op een kier en de jongen kreeg verlof (toestemming) om zich met het meisje af te zonderen en met haar te vrijen. Het verlof werd door de vader van het meisje medegedeeld aan de naaste buren. Het was hun nabuurplicht om de verloving bekend te maken bij de overige naburen.

Tot het einde van de negentiende eeuw (1875) meende men dat alleen de man verantwoordelijk was voor de zwangerschap. Het kind, zo dacht men, was immers in kiemvorm aanwezig in het zaad van de man. Onvruchtbaarheid en alles wat er fout kan lopen tijdens de zwangerschap kwam op rekening van de vrouw. Als het meisje binnen de verlovingstijd (van meestal een jaar) niet zwanger was geworden, had de jongen daarom het recht om de verloving te verbreken. Voor het meisje betekende dit dat haar kans om te trouwen behoorlijk was afgenomen. Geen jongen uit het dorp zou trouwen met een meisje dat niet voor nageslacht kon zorgen en dat werd haar ook flink ingepeperd. De nogal grove rituelen waarmee dit gepaard ging zal ik later in een ander artikel bespreken. Het meisje trouwde uiteindelijk meestal met een weduwnaar die zelf al kinderen had.

Als het meisje binnen de verlovingstijd wel zwanger was geworden, zag de gemeenschap erop toe dat de jongen ook daadwerkelijk met haar trouwde. Datzelfde gold ook als een meisje zonder verloving zwanger werd. Het meisje werd dan uitgehoord en als de dader achterhaald kon worden werd deze gedwongen om met het meisje te trouwen, desnoods buiten zijn wil en zonder zijn aanwezigheid. Hij had dan ‘een lelijke (zware/vuile) pijp gerookt’ en was ‘de sigaar’. Het is reëel om te stellen dat vrijwel elk huwelijk  op het platteland destijds een ‘moetje’ was.

brulfteneugers

In dit artikel gaan we uit van een vrijwillige bruiloft. Zodra het meisje in verwachting was geraakt, ging het stel gedurende drie weken in ondertrouw. De organisatie van de boerenbruiloft was een zaak van de naburen, waarbij de kosten voor rekening kwamen van de ouders van de bruid. De naburen bepaalden samen met de familie welke gasten voor het huwelijk werden uitgenodigd. Het aankomende bruidspaar had hierin geen zeggenschap. Twee ‘brulfteneugers’, mannen met een versierde hoed en een ‘goastok’ gingen langs de deuren om de gasten uit te nodigen. Met de goastok, gemaakt van een tak omwikkeld met kamperfoelie, werd er op de deuren geslagen om te worden binnen gelaten. Tijdens het bruiloftsfeest bedienden de naburen de gasten. Enige tijd na de bruiloft werden de naburen zelf uitgenodigd voor een ‘noaberfeest’ bij het bruidspaar thuis.

Het meisje versierde tijdens de ondertrouw een Goudse pijp voor haar aanstaande man met slingers, linten en bloemen. In sommige streken was het gebruik dat het aanstaande echtpaar op de eerste zondag van de ondertrouw ging eten bij de ouders van de bruidegom en op de tweede zondag bij de ouders van de bruid. Tijdens dit laatste etentje kreeg de man de bruidegomspijp aangeboden door de ongetrouwde zussen van de bruid. In andere streken gaf de bruid de pijp op de dag van de trouwerij zelf aan haar aanstaande echtgenoot.

Het versieren van de bruidegomspijp stond symbool voor haar dienstbaarheid aan haar man. De bruidegom diende de pijp de gehele huwelijksdag bij zich te dragen. Brak de (van pijpaarde gemaakte dus zeer broze) pijp, dan zou ook het huwelijk geen stand houden. ’s Avonds vulde de bruid de pijp met tabak, stak deze aan en blies een paar trekjes tabak in het gezicht van haar man. Daarna gaf zij de pijp terug aan haar man, die er de hele avond uit bleef roken. Het aansteken van de bruidegomspijp door de bruid en het blazen van (vruchtbaarmakende) rook symboliseerden het huwelijkse genot.

bruidegomspijp

Na de huwelijksdag werd de bruidegomspijp samen met het bruidsboeket in een versierd pijpenkastje, met daarop het huwelijksjaar en de initialen van de echtelieden, op een ereplaats aan de muur gehangen (zie bovenste foto). Bij speciale gelegenheden (trouwdag, geboorte van een kind en met kerst) werd de bruidegomspijp uit het kastje gehaald en door de man gerookt. Na het overlijden van de man werd de bruidegomspijp in de kist op zijn borst gelegd en meebegraven.

De dood werd vroeger veel meer beschouwd als een normaal onderdeel van het leven, een overgang, wat uiteraard voortkwam uit het geloof in een hiernamaals. Daarnaast moet u weten dat de woorden ‘heilig’ en ‘huwelijk’ beiden zijn voortgekomen uit het woord ‘hilic’. In feite hebben ‘heilig’ en ‘huwelijk’ dezelfde betekenis. Men trouwde tijdens het aardse bestaan met een partner en in het hiernamaals trouwde men met de schepper.

In vroegere tijden geloofde men dat bij de overgang van herfst naar winter de sluier tussen de aarde en het hiernamaals het dunst was. Hierdoor konden allerlei boze geesten de aarde bereiken om de mensen kwaad te doen, maar het was ook de tijd waarop de overledenen hun reis naar het hiernamaals konden beginnen. Op 1 november (Allerheiligen) werden daarom de Heiligen aangeroepen om zich over de zielen te ontfermen. Op 2 november (Allerzielen) werd gebeden voor het zielenheil van individuele overledenen. Door zo’n voorbidding konden nabestaanden iemands verblijf in het vagevuur bekorten.

Heiligen wier naamdag in november of december valt kregen een rol toebedeeld in het verzamelen en begeleiden van de zielen. De twee belangrijkste heiligen in deze periode zijn Sint Maarten en Sint Nicolaas. Afhankelijk van de regio vierde men vroeger één van beide feesten. Bij alle Heiligenfeesten tussen Sint Maarten en Oud en Nieuw werden traditioneel buikmannen geschonken. Een buikman is een broodfiguur met een witte stenen pijp, gemaakt van fijn deeg met krenten en rozijnen. In Duitsland worden buikmannen onder de naam Weckmann (Sint Maarten) of Stutenkerl (Sint Nicolaas) nog altijd gegeten. In ons land heeft deze traditie zich het langst gehandhaafd tijdens de viering van Sint Maarten.

weckman

De meeste folkloristen accepteren de verklaring dat een buikman een bisschop verbeeldt. Ik vind dit onbegrijpelijk. De figuur heeft geen enkele gelijkenis met een bisschop en de verklaring dat de pijp in werkelijkheid een omgekeerde staf zou zijn vind ik nogal vergezocht. Het verklaart bovendien niet waarom buikmannen uitsluitend werden geschonken tijdens de Heiligenfeesten in november en december en ook niet waarom een buikman in Limburg (onder de naam stevensman) op 26 december werd geschonken met Sint Steven. Stefanus was immers geen bisschop.

De enige logische verklaring is in mijn ogen dat de buikmannen symbool staan voor de overledenen die op weg zijn naar de hemel. De pijp is dan de bruidegomspijp die bij de overledene in de kist is gelegd en nu symbool staat voor het aanstaande huwelijk van de overledene met zijn schepper. Eerder schreef ik al dat heiligen wier naamdag in november of december valt een belangrijke rol hadden bij het begeleiden van de zielen tijdens hun reis naar het hiernamaals, dat Sint Maarten en Sint Nicolaas de belangrijkste heiligen waren en dat het schenken van een buikman het langst is gehandhaafd met Sint Maarten. Daarmee hebben we tevens een verklaring gevonden voor de zegswijze ´de pijp aan Maarten geven´.

Ook in de zegswijzen ´de pijp is leeg´ (doodmoe zijn) en ´hij heeft zijn laatste pijp gerookt´ (hij is dood) wordt een relatie gelegd tussen een pijp en overlijden. Dat schijnt niet te gelden voor ´de pijp uitgaan´. Dit wordt toegeschreven aan een uitdrukking uit de jacht. Een konijnenhol bestaat uit wijde hoofdpijpen en smalle vluchtpijpen. Jagers sturen hun hond een hoofdpijp in. Als de konijnen via de vluchtpijpen het hol verlaten worden zij afgeschoten. Die verklaring is te mooi om in twijfel te trekken.

 

©Bert van Zantwijk

Overname van (delen van) dit artikel is uitsluitend toegestaan onder vermelding van de naam van de auteur en/of een link naar dit artikel.

Advertenties