Dit artikel is nog niet klaar en zal in september 2019 worden voltooid.

 

In kleine besloten gemeenschappen blijven tradities veel langer bestaan dan in de rest van Nederland. Dat geldt zeker voor de Waddeneilanden, die zich door hun geïsoleerde ligging eenvoudiger aan veranderingen op het vasteland kunnen onttrekken. Na de reformatie zijn veel tradities in Nederland verdwenen, omdat uitbundige vieringen door de calvinisten werden verboden en omdat het niet langer was toegestaan om heiligen te vereren. Sint Nicolaas is de schutspatroon van vissers en zeevarenden en was om die reden de belangrijkste heilige op de Waddeneilanden. Soms laat een hechte gemeenschap zich niet dwingen en blijft een traditie tegen de wil van de kerkleiders in bestaan. In dit artikel neem ik u mee naar de viering van Sinterklaas op de verschillende Waddeneilanden. We beginnen onze reis op Texel en verplaatsen ons daarna steeds een eiland oostwaarts. De aandacht zal daarbij vooral uitgaan naar de vieringen op Ameland en op het Duitse Waddeneiland Borkum, omdat die vieringen het dichtst bij de oorsprong zijn gebleven.

Op Texel heeft het feest in de loop der jaren grote veranderingen ondergaan en is verworden tot een wedstrijd van carnavaleske toneelstukjes. Hoewel de viering uitsluitend bedoeld is voor de Tesselaren en de toneelstukjes vooral lokale issues behandelen, zijn toeristen welkom om het feest als toeschouwer mee te maken. Ook worden verslagen en foto´s van de viering vrij op internet en in de (lokale) media geplaatst. Voor Ameland is dat een doemscenario. In dorpen als Hollum en Ballum zijn toeristen niet welkom en zijn de meeste hotels tijdens de viering gesloten. Hier houdt men grotendeels vast aan de oorspronkelijke viering, is fotograferen verboden en zwijgen de inwoners over de viering tegen niet-eilanders. Het doel hiervan is uiteraard om bemoeienis van buitenstaanders te voorkomen, de eigen identiteit te behouden en daardoor de gemeenschapszin te bevorderen.

De toekomst zal moeten uitwijzen of Ameland hiermee de juiste keuze heeft gemaakt. De geheimzinnigheid rondom de viering versterkt absoluut het wij-gevoel onder de eilanders en tot nu toe is Ameland het enige Nederlandse Waddeneiland dat grote veranderingen aan de viering heeft kunnen voorkomen, maar de tendens is op dit moment dat extreemlinkse groepen zich steeds meer gaan afzetten tegen alles wat zij niet begrijpen. Zij doen dit rücksichtslos en zonder enige kennis van zaken. Onbekend maakt onbemind. Op internet en in de media verschijnen steeds vaker berichten dat op Ameland een raar feest wordt gevierd, waarbij gemaskerde mannen de straat op gaan om vrouwen te slaan. Dat is uiteraard onzin, maar de zwijgzaamheid van de Amelanders werkt hierbij wel geruchtbevestigend.

Het is opmerkelijk dat inwoners van de Waddeneilanden eigenlijk geen flauw idee hebben wat zij nu eigenlijk vieren met Sinterklaas, zodat zij zich ook niet kunnen verdedigen tegen onterechte aantijgingen van buitenstaanders. Sommige eilanders menen dat de viering is voortgekomen uit Germaanse of uit Keltische gebruiken en bedoeld was om boze geesten te verjagen. Anderen melden dat de gebruiken stammen uit de tijd van de walvisvaart, waarbij de na lange tijd terugkerende mannen moesten laten zien dat zij de baas waren. De meeste eilanders maakt het echter helemaal niet uit wat de betekenis van de gebruiken is. Het is hun feest, het maakt deel uit van de eilandcultuur en is daarmee een belangrijk onderdeel van hun identiteitsvorming. Vastelanders dienen zich daar niet mee te bemoeien. Over één ding zijn de inwoners van alle Waddeneilanden het met elkaar eens: hun sinterklaastradities hebben niets te maken met Sinterklaas. En daarin vergissen zij zich.

 

ouwe sunderklaas2

 

Zoals beloofd beginnen wij onze reis op Texel, waar van de oorspronkelijke viering niet veel is overgebleven. De oudste vermelding van het feest dateert uit 1816, als het feest ´dat sinds enige jaren wordt gevierd´ door toenmalig burgemeester G. Reinbach wordt verboden wegens ´het schrik aanjagen en verstoren van de rust en zelfs het zich vertonen in de gedaante van beesten´ en omdat de feestvierders er niet voor terugdeinsden om ´voorbijgangers op publieke straten te mollesteren en voorts Twist en Tweedragt te verwekken´.

Erg lang kan dit verbod niet hebben bestaan, want in 1864 en 1865 publiceert onderwijzer Dirk Dekker, geboren in Oudeschild in 1822, in het tijdschrift ´Nederland´ zeven verhalen over het Texels volksleven uit zijn jeugd. Hij beschrijft hierin onder meer het Sunderklaasfeest, zoals dat rond 1830 zal zijn gevierd. De Sunderklazen beijverden zich in zijn tijd om zich zo afzichtelijk mogelijk toe te takelen. Zij droegen een witte wijde broek met witte wijde lappen om het lijf, een torenmuts van karton en een grim (masker). Zij spraken door een koehoorn en produceerden verder slechts hoge piepgeluiden en geblaas. Ook schrijft Dekker dat zich geen kinderen of aankomende jongelingen op straat mochten vertonen of zij hadden knuppelslagen te vrezen. Ook meldt hij dat de avond eindigde in de herberg en veelal uitliep op een kloppartij tussen het minst beschaafde deel der aanwezigen.

Later schijnt het Sunderklaasfeest opnieuw verboden te zijn geweest. In 1923 schreef folklorist D.J. van der Ven in ´Ons Eigen Tijdschrift´: Sedert burgemeester Strick van Linschoten een dertig jaar geleden alle Texelsche jonge harten op één slag veroverde door het eertijds verboden (maar toch in het geheim gevierde) Ouwe Sunderklaas-feest weer in eere te herstellen, wordt dit feest met het jaar drukker gevierd en brengt het de midwintervreugd uit de huizen en café´s waar braaf gedanst wordt, ook op straat.

Meer informatie over de vroegere viering leren we van onderwijzer en schrijver Dirk Leonardus Daalder, die in 1887 werd geboren in Oosterend. In ´Schimmenspel´ uit 1940 beschrijft hij zijn jeugd op Texel en wijdt hij ook een hoofdstuk aan Sinterklaas. Hij zit op dat moment in de vijfde klas en is dus elf jaar, want hij is in november jarig geweest. Daarmee weten we dat de viering uit zijn beschrijving zich afspeelt in het jaar 1898. Het feest begint op de avond van 4 december. Dan zijn er volop kruudbôltjes, Jantjes van Gaaien, taaitaaitjes en sukerdetaai, want, schrijft Daalder, ´de fenters lóópe de deur plat en je moet van iederien toch wel wàt kóópe…..´. Op 5 december staat er ´s middags een ´broeder´ op tafel. Dat is een rond plat krentenbrood, met een rijke vulling van roomboter, kaneel en bruine suiker. Soms is er beulinggort, snikkiedik of sakkoek-mit-stroop. De vader van Daalder zegt in het verhaal dat hij alles lust, behalve sop, troet, slinger-om-de-trap en gort-in-t-zakkie.  Ik zou het zeer op prijs stellen als een oude Tesselaar mij zou kunnen vertellen wat deze gerechten inhouden.

Tegen vijf uur, als het al flink donker wordt, gaan de jongelui de straat op. Zij wachten op de streetfegers. Vrouwen en kinderen onder de achttien jaar mogen zich deze dag na zonsondergang niet meer op straat begeven. Waarom dat is, zal ik later in dit artikel bespreken. Zodra het donker is, komen de streetfegers. Dat zijn jongens van net boven de achttien, die gehuld zijn in een wit laken en voorzien van een roede van buigzame twijgen. Zij hebben de taak om de straten vrij te maken voor de Sunderklazen en kondigen hun komst aan met het blazen op koehoorns en het rammelen met kettingen. Dan begint een spel van kat en muis. De streetfegers proberen de straten vrij te maken, terwijl de jongelui onder de achttien juist proberen om zo dicht mogelijk bij de streetfegers in de buurt te komen, maar wel gewoon op straat te blijven.

 

streetfegers

 

Als de streetfegers voorbij zijn, komen de Sunderklazen tevoorschijn. Zij lopen in groepjes door het dorp en als de kleintjes hun mandje bij de schoorsteen hebben gezet en naar bed zijn, betreden de Sunderklazen de open huizen. Hier worden zij door de aanwezigen -opa´s, oma´s, vaders, moeders en meisjes boven de achttien- ontvangen en getrakteerd op een drankje en een hapje. Er worden vragen gesteld in een poging om te ontdekken wie zich achter een vermomming bevindt. De Sunderklazen zeggen niet veel, en als ze dat wel doen spreken ze door een trechter of lampenglas. Om acht uur worden de meisjes door een volwassen man, meestal de vader, naar een horecagelegenheid gebracht. Hier gaan zij hapjes bereiden voor de Sunderklazen. Om negen uur melden ook de Sunderklazen zich hier en wordt er tot diep in de nacht gedanst. De Sunderklazen houden hierbij hun grim op. De volgende morgen is het ´soekertjesdag´. De mandjes die de kinderen bij de schoorsteen hadden gezet, zijn gevuld met cadeautjes en lekkernijen maar dienen eerst door de kinderen te worden gevonden.

Daarna gaat het feest weer verder op 12 december, een dag eerder als 12 december op een zondag valt. ´s Middags is het ´Jonge Sunderklaas´. Dan lopen de kinderen verkleed en gemaskerd door het dorp. Net als de Ouwe Sunderklazen betreden zij de huizen. Hier zingen zij een liedje en worden daarvoor beloond met wat lekkers. De avond is bijna een kopie van een week eerder. Opnieuw komen de streetfegers de straten schoonvegen van minderjarigen en gaan de Sunderklazen de open huizen langs. En weer eindigt de avond in het plaatselijke café. Dit keer zijn daar echter alleen de Sunderklazen welkom en gaan de grims af.

In 1950 schreef D.L. Daalder ook nog een jeugdboek dat zich afspeelt in Oosterend. Het heet ´Fijn en Grof´en gaat over de vriendschap tussen een jongen en een meisje van verschillend geloof. Volgens Daalder waren nergens in Nederland de tegenstellingen tussen de geloven zo groot als in Oosterend, een dorp van destijds slechts vijfhonderd inwoners, maar met een katholieke, een hervormde, een gereformeerde en een doopsgezinde kerk. Elke inwoner van Oosterend was ervan overtuigd dat zijn kerk het ware christendom beleed en de andere kerken slechts bestonden uit dwaallichten en ketters. Veel inwoners gedroegen zich star en groetten elkaar niet eens in het voorbijgaan. Dat maakt het des te opvallender dat de dorpsgemeenschap het katholieke Sinterklaasfeest gezamenlijk vierde, maar geeft tevens een mogelijke verklaring voor het feit dat het afsluitende feest in de herberg volgens Dirk Dekker vaak uitliep op kloppartijen. In het boek komen tenminste twee personen voor die daadwerkelijk hebben bestaan: meester Daalder (de vader van de auteur), die tevens voorzanger was van de doopsgezinde kerk, en dominee Kuperus. Dit doet vermoeden dat het verhaal meer is dan een verzonnen jeugdroman, maar biedt in elk geval de mogelijkheid om vast te stellen dat het verhaal zich later afspeelt dan het Sunderklaasfeest van 1898 uit het boek ´Schimmenspel´, maar zeker voor 1915 toen Daalder emigreerde naar Nederlands Indië. Ook in ´Fijn en Grof´ wordt aandacht geschonken aan het Sunderklaasfeest.

In het boek besluit een van de twee hoofdrolspelers, de minderjarige Aai Visman, om stiekem mee te doen aan Ouwe Sunderklaas op 12 december. Het lukt hem om onherkenbaar te blijven, al blijkt achteraf dat zijn vriendinnetje hem had herkend aan zijn schoenen, maar haar mond had gehouden. Het is een van de leukste hoofdstukken uit het boek, maar voor dit artikel is slechts de omschrijving van het feest van belang. Daalder schrijft: ´Op de vijfde December scharrelden enkele kleine kinderen gemaskerd door ´t dorp. En ´s avonds zetten ze een mandje bij de schoorsteen, zongen een liedje en gingen dan naar bed´. Jonge Sunderklaas is, ergens tussen 1898 en 1915, dus verplaatst van 12 december naar 5 december. Ook schrijft Daalder: ´De vissers waren niet eens thuis gekomen op de vierde. Jonge Sunderklaas betekende van jaar tot jaar minder´. Hier is dus al sprake van afname van de interesse voor het feest door de jongste jeugd, waar ik later nog op terug zal komen.

 

Texel 1923 De-beer

 

Direct na de Eerste Wereldoorlog, in 1918, werd het Sunderklaasfeest op Texel opnieuw verboden. Dit verbod zou in 1935 weer worden opgeheven, maar had, net als de eerdere verboden, weinig indruk gemaakt. De viering ging gewoon door, zoals blijkt uit de beschrijving van het Sunderklaasfeest van 1923 in ´Ons Eigen Tijdschrift´ door de al eerder genoemde folklorist Van der Ven. De viering heeft dan al een meer carnavaleske invulling gekregen. Een belangrijk verschil is dat de streetfegers nu samen met de Sunderklazen op straat verschijnen. Zij jagen de jongelingen niet meer van straat, maar maken deel uit van een bonte stoet die zowel op Ouwe Sunderklaas als op Nieuwe Sunderklaas door het dorp trekt. Kinderen zingen:

 

Ouwe Sunderklaas gaat nooit verloren

Falderalderiere Falderalderare

Ouwe Sunderklaas gaat nooit verloren

Falderalderalderom

 

De Sunderklazen dragen nu grote en kleine bellen, die ze onophoudelijk laten rinkelen. Verder zijn er figuren als ´de keezentrekker´, ´de barbier´, ´de boeienkoning´ en ´de beer´. De keezentrekker is gewapend met een grote nijptang en de barbier met een scheerkwast. Zij rennen op jongelui af en proberen hen schrik aan te jagen. De barbier probeert daarbij bovendien om de jongens in te zepen met zijn scheerkwast. De boeienkoning is in kettingen gevangen, maar dreigt steeds te ontsnappen. De beer, tot slot, heeft het vooral gemunt op jonge meisjes die hij tracht te pakken. Op de symbolische betekenis van deze figuren zal ik later nog terugkomen.

Van 1940 tot 1945 was het Sunderklaasfeest weer verboden, al had dat dit keer niets met het feest zelf te maken. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het simpelweg niet toegestaan om je onherkenbaar op straat te begeven. Na de oorlog ging het feest van Ouwe Sunderklaas weer gewoon door, maar Nieuwe Sunderklaas nam in waarde af. Alleen in Den Burg werd nog op 5 december Nieuwe Sunderklaas gevierd. In de overige dorpen vierde men op 5 december alleen nog Jonge Sunderklaas, het feest van de kleintjes. In 1955 werd Jonge Sunderklaas daarom overgeheveld naar 12 december en ook in Den Burg stopte men met het vieren van Nieuwe Sunderklaas.

Tegenwoordig viert men op 5 december Sinterklaas op dezelfde manier als op het vasteland. Een week later, op 12 december, viert men Ouwe Sunderklaas, dat ook wel kortweg Ouwe Sunder wordt genoemd. Het programma is in elk dorp anders, maar de onderdelen van de viering komen voor een groot deel overeen. Er zijn een aantal locaties aangewezen waar gespeuld kan worden. Van vijf tot zes uur speulen de kinderen tot 12 jaar. Daarna volgt een kinderdisco met aansluitend de prijsuitreiking. Daarna zijn de oudere jeugd en de volwassenen aan de beurt om te speulen. Dat is overigens niet in elke gemeente zo. In Den Burg speult de oudere jeugd gelijktijdig met de jonge kinderen, maar wel in een eigen categorie, en is er voor hen na de prijsuitreiking een eigen (alcoholvrije) disco. Met speulen wordt gedoeld op het verkleed en gemaskerd, en dus onherkenbaar, opvoeren van een sketch, toneelstukje of liedje. Oorspronkelijk had het woord speulen een andere betekenis, maar daar kom ik op terug bij de verklaring van het feest op de Waddeneilanden.

Het masker wordt op Texel een grim genoemd. Om herkenning te voorkomen wordt de stem verdraaid of gebruik gemaakt van tekstborden. In de voorstellingen worden vaak lokale gebeurtenissen op de hak genomen. Achter de satirische voorstellingen gaat een serieuze vorm van sociale controle schuil: personen of instanties die in het voorafgaande jaar door hun handelen de aandacht op zichzelf hebben gevestigd worden op ludieke wijze in het openbaar terecht gewezen. De voorstellingen worden daarom ook door de plaatselijke politici met grote belangstelling gevolgd. Vervolgens gaan alle volwassenen naar een feestlocatie. Hier wordt nogmaals gespeuld, waarna de prijsuitreiking volgt. Daarna gaan de grims af en wordt er tot in de late uurtjes feest gevierd. Op 13 december gaan de volwassenen, ditmaal in normale kleding, opnieuw naar de feestlocatie om te gaan naklazen. Dit betekent dat er wordt gefeest totdat de overgebleven hapjes en drankjes op zijn.

De viering zal in deze vorm niet heel lang meer stand houden. De jeugd is niet meer te porren voor deelname aan het speulen en het aantal jonge speulers neemt jaarlijks af. Jongeren en jongvolwassenen vieren Sunderklaas liever als een driedaags carnaval met voorklazen, klazen en naklazen, waarbij het niet meer gaat om de traditie maar slechts om feesten en overmatig gebruik van alcohol. Voor de volwassen Tesselaars is Ouwe Sunderklaas nog steeds de belangrijkste traditie van het jaar, maar zij zullen niet kunnen voorkomen dat de viering over een jaar of tien zal zijn veranderd in een soort ´carnaval in december´.

 

Ouwe Sunderklaas

(Foto: Texelplaza.nl)

 

We verlaten Texel en maken de oversteek naar Vlieland. Hier heet het Sinterklaasfeest ´Opkleden´. Johannes W. de Boer meldt in zijn scriptie voor de Universiteit van Tilburg uit 2014, getiteld ´Religieus-culturele achtergrond van het eiland Vlieland in het verleden en de moderniteit´ dat de vroegste bronnen getuigen van het bestaan van Opkleden in de 18e eeuw en dat er aanwijzingen zijn dat het gebruik reeds ver daarvoor plaatsvond in een andere vorm: Het Heylekoppen. De Boer verwijst hierbij naar de ´collectie Dirk Bruin´. Het blijft onduidelijk of die vroegste bronnen dateren uit de 18e eeuw of dat het gaat om latere bronnen die claimen dat het Opkleden al in de 18e eeuw bestond.

Ook verwijst De Boer meerdere keren naar een interview met Jan Houter uit 2012. Jan Houter, ook bekend als Jan van Vlieland, is een bekende verschijning op Vlieland. Hij is zeer actief in het verenigingsleven, is hoofdredacteur van Vlieland Magazine en (mede-)auteur van een groot aantal boeken over Vlieland. Uit de passages uit dat interview die door De Boer geciteerd worden, blijkt echter ook dat Jan Houter een bevlogen promotor is van Vlieland, maar zeker geen historicus. Zo verklaart hij ten onrechte dat de naam van het gebruik Pierepauwen is ontstaan door de prominente Franse aanwezigheid tijdens de Napoleontische Tijd (voor de naamsverklaring van Pierepauwen, zie: Pierepauwen op Vlieland), een bewering die hij in 2017 nogmaals doet in een interview met Janneke van der Veer voor het ´Volkscultuur Magazine´ van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed. Ook koppelt hij, eveneens ten onrechte, het Opkleden aan bijgeloof en aan het vroegere Heylekoppen.

Hoewel er vrijwel geen oude beschrijvingen zijn van het Opkleden op Vlieland, mag worden aangenomen dat het gebruik in dezelfde tijd is ontstaan als de Sinterklaasfeesten op de andere Waddeneilanden en dat het feest op dezelfde wijze werd gevierd. Het ontbreken van oude publicaties zegt iets over de geïsoleerdheid van het dunbevolkte eiland en de daar geldende zwijgzaamheid over besloten tradities. De bekende, en zeer hoog aangeschreven, volkskundige Kaatje van de Graft benoemt Vlieland zelfs niet in de opsomming van Sinterklaasgebruiken op de Waddeneilanden in haar boek ´Nederlandse volksgebruiken bij hoogtijdagen´ uit 1947. Toch heeft Vlieland met die zwijgzaamheid niet kunnen voorkomen dat het feest, net als op Texel, grote veranderingen heeft ondergaan.

De intocht van Sinterklaas vindt op Vlieland pas plaats op 5 december, of in het daaraan voorafgaande weekend. Het Opkleden vindt eveneens plaats op 5 december, na afloop van het gewone Sinterklaasfeest, maar op 4 december als 5 december op een zondag valt. Vroeger begon het Opkleden om zeven uur met de kinderen, om acht gevolgd door de volwassenen. Tegenwoordig wordt dat onderscheid niet meer gemaakt en begint iedereen om zeven uur. Het is een besloten feest voor de Vlielanders en vrijwel alle inwoners doen mee. Een deelnemer is of een opkleder of een rader. De opkleders worden Sinterklazen genoemd. Vroeger was de rol van opkleder voorbehouden aan volwassen mannen en waren zij vaak maandenlang in het geheim bezig om een pak te maken. Uit een artikel in de Leeuwarder Courant van 1963 blijkt dat toen al zowel mannen, vrouwen als kinderen konden meedoen als opkleder.  Tegenwoordig zijn de pakken vaak gehuurd en ook het mombakkes (masker) is nu vaak vervangen door schmink. Net als op Texel beelden de opgeklede Sinterklazen een persoon of een recente gebeurtenis uit, die alleen door eilanders kan worden begrepen.

 

opkleden

(Foto: weblog.borsato.nl)

 

De Sinterklazen gaan, alleen of in een groep, langs de open huizen waar de raders zitten te wachten. In tegenstelling tot de speulers op Texel voeren de Sinterklazen geen toneelstukje op. Zij blijven stil staan en spreken geen woord. De raders lopen om hen heen, bekijken hen van heel dichtbij en trachten te raden wie er achter de vermomming schuil gaat en wat er wordt uitgebeeld. De raders mogen vragen stellen, die door de Sinterklazen slechts met een hoofdknik of nee-schudden worden beantwoord. Uiteraard wordt geprobeerd om de opkleder tot spreken te verleiden, om de herkenning te vergemakkelijken. Als een rader meent de Sinterklaas te hebben ontmaskerd, wordt de naam in het oor gefluisterd. Knikt de Sinterklaas ter bevestiging, dan wordt getracht te raden wat de opkleder uitbeeldt. Als ook dit met een knik wordt bevestigd, blijft de Sinterklaas nog enige tijd in het huis aanwezig. Hij of zij krijgt een drankje aangeboden, maar blijft gewoon ‘in het pak’. Daarna gaat de opkleder verder met de tocht langs de overige open huizen.

De maskerade gaat op Vlieland dus vooral om de geheimzinnigheid rondom het tenue, het herkennen van de opgeklede Sinterklazen door de raders en om het niet herkend worden, ook niet door directe familie en vrienden, voor de Sinterklazen. Dat vraagt in een kleine gemeenschap, waar iedereen elkaar kent, om veel creativiteit bij de opkleders en veel oog voor detail bij de raders. Een Sinterklaas kan zichzelf al verraden door zijn schoenen, een trouwring of een bepaalde handeling.

´s Avonds komen de opkleders, raders en andere belangstellenden naar een lokaal café voor het Bal-Demasqué. Vroeger werd dat gehouden in Badhotel Bruin, maar tegenwoordig in Grand Café De Oude Stoep. Om elf uur gaat de zaal open en begint hier het bal masqué. Gedurende een kwartier dansen de Sinterklazen ´in het pak´ met elkaar. Het publiek danst niet mee maar staat rondom de dansvloer. Rond half twaalf stopt de muziek en gaan de grote lampen aan. De ceremoniemeester, tegenwoordig is dat Rintje Kas die samen met zijn band ook de muziek verzorgt, roept ´Demasqué´, waarop de Sinterklazen hun mombakkes afzetten, zodat hun identiteit bekend wordt. Dit deel van het gebruik staat enigszins onder druk, nu steeds meer opkleders het mombakkes hebben verruild voor schmink. Na het demasqué gaan de grote lampen weer uit en wordt er tot in de kleine uurtjes gefeest.

 

Sinterklaas Vlieland

(Foto: Oud Nieuws Vlieland op Facebook)

 

Het volgende eiland dat we bezoeken is Terschelling. Hier viert men Sinterklaas op dezelfde manier als op het vasteland, al is de intocht doorgaans een week later. Sinterklaas en zijn Zwarte Pieten komen aan in de haven van West-Terschelling, maken een rondrit door het dorp en bezoeken daarna ook Oost-Terschelling. Op 5 december is het, net als op het vasteland, pakjesavond. Een dag later viert men alleen op Oost-Terschelling ´s avonds de waddenvariant van Sinterklaas, dat hier Sunderum of Sundrum heet. Dat is op zich best vreemd, want Sint Nicolaas is onder meer de schutspatroon van zeevarenden en schippers en van handelaren. Op Oost-Terschelling wonen veel agrariërs, terwijl West-Terschelling juist op de zee, de zeevaart en de handel is gericht. Waarschijnlijk heeft juist de ligging aan een haven, waardoor er meer contact was met inwoners van het vasteland, invloed gehad op het verdwijnen van het gebruik op West-Terschelling. Inwoners van West, die op Oost-Terschelling zijn geboren, mogen wel aan het feest meedoen.

Sunderum is op Oost-Terschelling springlevend, vooral in Baaiduinen, Midsland en Hoorn. Op Oost-Terschelling wonen slechts 2.500 mensen, maar elk jaar verkleden een paar honderd (vooral) jongemannen zich als Sunderum en zijn er ook honderden bewoners die hun huis of schuur open stellen, om samen met familie en vrienden de Sunderums te ontvangen. Vrouwen en meisjes mogen zich na zonsondergang niet meer op straat begeven en dat geldt ook voor jongens onder de zestien. De Sunderums betreden de open huizen, geven de aanwezigen een hand en vragen met verdraaide stem of zij weten wie ze zijn. Daarna nemen ze plaats en krijgen een ´witsje´ of  een ´bruuntsje´aangeboden, jenever of beerenburg, waarna het raden gaat beginnen. In Hoorn wordt geen alcohol geschonken en daar is best iets voor te zeggen. Door het grote aantal te bezoeken open huizen, zijn veel Sunderums in de andere dorpen halverwege de avond al behoorlijk dronken. Net als op Vlieland eindigt de avond met een ontmaskering in een plaatselijk horecabedrijf. Op Oost-Terschelling zijn dat Bar Dancing WYB in Midsland en Café Restaurant De Groene Weide in Hoorn. In tegenstelling tot het demasqué op Vlieland zijn het hier de vrouwen die de Sunderums mogen ontmaskeren.

 

sundrum

 

De viering van Sunderum lijkt erg op Het Opkleden op Vlieland, maar er zijn ook duidelijke verschillen. Op Oost-Terschelling houdt men nog vast aan een aantal regels die op Vlieland lang geleden zijn verdwenen. Dat begint al met ´Het Pak´. Ook op Oost-Terschelling zijn er mannen die een pak huren en een eng rubbermasker kopen, maar er zijn ook nog veel Sunderums die zich op traditionele wijze kleden in een zelfgemaakt pak, bestaande uit natuurlijke of aangespoelde materialen die op het eiland te vinden zijn, zoals heide, stro, duinhelm, bladeren, kippenveren, visnetten, schelpen en zeewier, met een grinz (het masker, dat op Texel een grim en op Vlieland een mombakkes wordt genoemd) van jute of papier-maché en een haardos van uitgeplozen touw. Een echte Sunderum draagt dan ook nog kettingen en een koehoorn bij zich. Zij kondigden vroeger hun komst aan door met de kettingen over de grond te slepen en op de koehoorns te blazen, zodat iedereen de gelegenheid had om tijdig de straat te verlaten. Bij het betreden van de huizen werd de ketting gebruikt om meisjes te vangen. Het is jammer dat dit deel van de traditie vrijwel is verdwenen.

De rol van Sunderum, een samentrekking van ´Sunte Heerum´ wat vertaald kan worden als ´Sint Heer-oom´, is voorbehouden aan mannen uit de eigen gemeenschap. Tegenwoordig zijn er echter ook wel vrouwen die de rol van Sunderum spelen. Voor de jaren ´70 zou dit ondenkbaar zijn geweest. Om buitenstaanders uit te sluiten spreken de Sunderums tijdens hun rol Aasters, het dialect van Oost-Terschelling. Een buitenstaander die ´in het pak´werd betrapt zou vroeger zonder pardon in een sloot of op een mesthoop worden gegooid. Die tijd is voorbij, maar de eilanders waarderen de deelname van een buitenstaander zeker niet.

Er zijn meer overtredingen die vroeger zwaar werden bestraft. De straat was het territorium van de Sinterklazen. Meisjes in de huwbare leeftijd die het waagden zich op straat te begeven werden vroeger tentoongesteld, door hen vast te ketenen aan het hek van de kerk, terwijl volwassen vrouwen en kinderen naar huis werden geknuppeld. Ook diende er volstrekte duisternis te zijn. De straatverlichting bleef uit en de huizen dienden verduisterd te zijn. Het enige toegestane licht was afkomstig van de bovenlamp en de op een kier staande deur van de huizen die inlieten. Brandende buitenverlichting werd door de Sinterklazen stuk geslagen en als een huis niet verduisterd was, werd een ruit ingegooid.

Hoewel de regels formeel nog steeds gelden, gaat het er tegenwoordig allemaal wat gemoedelijker aan toe. Buitenstaanders worden getolereerd als toeschouwer, maar genegeerd als Sunderum. Vrouwen en kinderen, die zich op straat begeven, worden aan het schrikken gebracht maar hebben hooguit een speels tikje op het achterwerk te duchten. Verlichting en ramen zijn veilig.

 

sunderum

Sunderums op Terschelling

 

We vervolgen onze reis op Ameland. In de inleiding schreef ik dat de viering van Sinterklaas op Ameland het dichtst bij de oorsprong is gebleven. Dat geldt dan vooral voor de dorpen Hollum en Ballum op de westkant van het eiland. In Nes en Buren, aan de oostkant van Ameland, wordt het feest anders gevierd en zijn de regels veel losser. Daar zijn zelfs ondernemers die de viering van Sunneklaas, soms ook geschreven als Sundeklaas of als Sûnneklaas,  willen verplaatsen als 5 december op een vrijdag valt, omdat dit ten koste gaat van het weekendtoerisme. Daarbij wijzen zij erop dat het feest om religieuze reden ook wordt verplaatst als 4 en 5 december in een weekend vallen. In Hollum en Ballum willen ze hier niets van weten. Daar zijn toeristen sowieso niet welkom tijdens de viering van ´het feest zonder pottenkijkers´. Zelfs het VVV meldt expliciet op haar website dat Sunneklaas een feest is uitsluitend van en voor de Amelanders. Op de boot naar Ameland worden pamfletten uitgedeeld waarin in het Duits en het Nederlands aan de onwetende toerist wordt uitgelegd op welke tijden het vrouwen en kinderen niet is toegestaan om zich op straat te begeven. Dat laatste is overigens niet echt nodig, want de boten vervoeren op dat moment vooral veel oud-Amelanders die speciaal voor Sunneklaas terugkeren naar het eiland.

De zwijgzaamheid van de Amelanders over Sunneklaas, heeft er voor gezorgd dat er geen hele oude publicaties over het feest zijn te vinden. We moeten daarom aannemen dat Sunneklaas is ontstaan in dezelfde tijd als de Sinterklaasviering op de andere Waddeneilanden. In een krantenartikel uit 1933 wordt in elk geval al gesproken over een oud gebruik. De oudste mij bekende beschrijving van het feest is afkomstig van Dr. M.W. van Brakel-Immink, met aquarellen van kunstenares Jonkvrouw I(r)ma van Eysinga uit 1927 en werd gepubliceerd in De Vrije Fries, het jaarboek van het Keninklik Frysk Genoatskip van 1929. Van Brakel beschrijft de viering, zoals zij die in de voorafgaande tien jaar heeft waargenomen. Een ander schriftelijke verslag is afkomstig van schrijver en dichter Jobs Werumeus Buning, die het feest in 1948, samen met tekenaar Cees Bantzinger, in Hollum meemaakte. Werumeus Buning noemt Ameland in zijn verslag het ´eiland der demonen´. De door Bantzinger gemaakte tekeningen zijn in 1974 aangekocht door het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen.  Daarna volgt een verslag van Drs. G.R. Kruissink, die samen met J. Wolthers in 1962 de viering in zowel Hollum als in Nes bijwoonde en samen met Drs. U. Vroom in 1972 de viering in Hollum bezocht. Ook heeft Kruissink de viering op diverse andere Waddeneilanden meegemaakt. Zijn verslag is in 1974 gepubliceerd in ´Uit het Peperhuis´, een tijdschrift van de vereniging ´Vrienden van het Zuiderzeemuseum´. Het vierde verslag is afkomstig van de bekende folklorist Sytse Jan van der Molen. Hij bezocht, samen met fotograaf Paul Vogt, in 1973 de viering in Hollum en publiceerde zijn bevindingen in 1980 in zijn boek ´Onze Folklore´.  Ik zal deze vier uitgebreide getuigenverslagen, samen met de beschikbare informatie over de huidige viering,  gebruiken om een beeld te schetsen van het feest op Ameland en de veranderingen die het feest in de afgelopen honderd jaar heeft ondergaan.

 

 

sunneklaas eysinga

Amelander Sinterklaasverschijningen door Jkvr J. van Eysinga (1927)

 

Van Brakel begint haar verslag in 1929 met: Het kan allicht goed zijn de oude gebruiken, die nog op de afgelegen dorpen op de eilanden heerschen, te beschrijven, want de verbeterde wegen en de gemakkelijker vervoermiddelen, waardoor een reisje naar den vastewal zooveel lichter wordt ondernomen dan vroeger, zullen hun nivelleerende macht ook over Ameland doen gevoelen en ´t zal niet zoo heel lang meer duren, dat de oude gebruiken onveranderd en onbeïnvloed door vastelandsgewoonten zullen blijven bestaan. Het zal met Hollum wel zoo gaan als met het aan de boot gelegen en veelbezochte Nes; het echte, kenmerkend archaïsche gaat er af. Zoo is het Sint-Nicolaasfeest in Nes eigenlijk een carnavalsavond geworden, waarbij enkele oude gebruiken als het van de straat jagen van de meisjes gebleven zijn. Ook in Hollum gaat het eenigermate dien kant uit en ik wil daarom, voordat het geheel is veranderd, een beschrijving geven van het feest, zooals ik het de laatste tien jaren heb gezien.

Door deze inleiding weten we dat de Sunneklaasviering in Nes, op de oostkant van Ameland, al in 1929 was verworden tot een soort carnavalsviering. Dat komt overeen met de beschrijving die Van der Ven in 1923 heeft gegeven van de Ouwe Sunderklaasviering op Texel. Van Brakel benoemt ook specifiek het bezoek van toeristen aan Ameland en van eilanders aan het vasteland als oorzaak van de nivellering van de traditie op de oostkant van het eiland en dit sluit naadloos aan bij de situatie op Terschelling, waar het feest in het veel door toeristen bezochte westelijke gebied niet eens meer wordt gevierd. Persoonlijk denk ik echter dat het ontbreken van toeristen in de wintermaanden een veel grotere factor heeft gespeeld in het behoud van de traditie in Hollum en Ballum, dan dat de aanwezigheid van toeristen van invloed is geweest op de veranderingen in Nes. Tegenwoordig zijn er genoeg mogelijkheden voor winterrecreatie op Ameland, maar dat was vroeger anders. Toen was een eilandenwinter in de dorpen buiten het toeristengebied vooral eentonig, donker en stil. De bewoners waren volledig op elkaar aangewezen en dan grijp je de kans op een feestje met beide handen aan.

Weken voor Sunneklaas werden de buffelhoorns al tevoorschijn gehaald en klonk het lugubere geluid van de hoorns in de schemeravonden door de dorpen. Voor de eilanders was dit de aankondiging van het komende feest, de bevestiging dat de mannen druk bezig waren om hun pakken te maken. Daarbij werden zij vaak geholpen door verre familieleden, zodat ook de naaste familie niet zou weten hoe zij er tijdens de viering zouden gaan uitzien. Ze maakten hoeden van karton of stro, die versierd werden met gekleurd papier. Hun witte gewaden werden beplakt met kleurige knipsels.

Ook de jongemannen tussen 12 en 18 jaar maakten zelf in het geheim een pak, al werden zij daarbij vaak geholpen door hun moeder, die uiteraard een zwijgplicht had tegen anderen. Deze ´Kleine Sunneklazen´ gingen op 4 december, een dag eerder dan de echte Omes, ´In het pak´ door het dorp en betraden daar de ´open huizen´. Van Brakel schrijft dat zij hierbij vooral werd verrast door de ernst en statigheid waarmee de ´Kleine Omes´ hun rol vervulden. Zij beschrijft hoe zij, als buitenstaander getrouwd met een eilander, hardop moest lachen om een klein koddig verkleed kereltje, maar daar direct mee stopte toen ze merkte dat zij de enige was die lachte. Voor de inwoners van Hollum was ook Kleine Sunneklaas een uiterst serieuze aangelegenheid.

 

sunneklaas oome

Amelander Sunneklaas door C.A.B. Bantzinger (1948)

 

Het feest begon als op 4 december de school uitging. De kinderen van de lagere school waren dan verkleed. Zij droegen maskers, bliezen op toeters en fluiten, renden achter elkaar aan en riepen daarbij: `Booooeeeehhhhh!!!´. Om half vijf verschenen de jongens van twaalf tot achttien jaar, gemaskerd, blazend op een hoorn en gewapend met een stok. Zij waren de baanvegers die alle jongens onder de twaalf en meisjes onder de achttien jaar naar huis probeerden te jagen. ´Wie zich niet vlug genoeg uit de voeten maakt, wordt met stokken bewerkt´, wil het krantenartikel uit 1933 ons doen geloven, maar dat beeld wordt door Van Brakel genuanceerd. Zij beschrijft een spel, waarbij de jongens en meisjes trachten zo lang mogelijk op straat te blijven door zich te verstoppen. Als de baanvegers iemand ontdekken, proberen ze die persoon ongemerkt te besluipen en te laten schrikken door met hun stok hard achter hen op de grond te stampen, hard te brullen of op de hoorn te blazen.

 

Dit artikel is nog niet klaar

 

©Bert van Zantwijk

Overname van (delen van) dit artikel is uitsluitend toegestaan onder vermelding van de naam van de auteur en/of een link naar dit artikel.

Advertenties