Het slavernijverleden van Nederland is een feit, maar betekent dat ook dat een traditie waarin een rijke blanke man wordt geassisteerd door zwarte knechten per definitie naar dit verleden verwijst? Tegenstanders van Zwarte Piet denken van wel. Zij menen dat Zwarte Piet is voortgekomen uit de zwarte knecht uit het boek ‘St. Nikolaas en zijn knecht’ van Jan Schenkman, die duidelijk herkenbaar is als een negroïde man, en wijzen op de uiterlijke kenmerken van Zwarte Piet, zoals de rode lippen, de oorbellen en het kroeshaar. Voorstanders van Zwarte Piet denken dat de knecht zwart is van het roet van de schoorsteen en zij willen vasthouden aan de eeuwenoude traditie. Om vast te kunnen stellen wie er gelijk heeft, moeten we eerst begrijpen wat we nu eigenlijk vieren met Sinterklaas.

Arnold-Jan Scheer heeft in zijn film Wild Geraas reeds aangetoond dat Zwarte Piet in diverse gedaantes ouder is dan de Nicolaasverering en een variant is op het veel oudere archetypische figuur ´de Trickster´. Na de kerstening is het feest ingepast in de Christelijke traditie en in dit artikel bespreek ik de betekenis van Zwarte Piet voor de Katholieken.

 

st-nikolaas-en-zijn-knecht

 

Ik neem u mee naar het platteland in de late middeleeuwen. De kerk speelde voor de boeren een belangrijke rol in het dagelijks leven. De kerk was niet alleen een geloofsinstituut maar vooral ook de organisator van het sociale leven. De meeste mensen kwamen dagelijks in de kerk. Veel kerken zijn genoemd naar een heilige en de mensen vroegen deze heilige om hulp en bescherming bij ongelukken of ziekte. Sommige kerken hingen vol met votiefplaatjes, die mensen aan de heilige gaven als tegenprestatie voor de geboden hulp. De wonderen die een heilige had verricht, werden opgeschreven in een zogenaamd Mirakelboek. Ook thuis werden heiligen vereerd. Veel mensen hadden kleine pijpaarden beeldjes van heiligen in huis. Bijna iedereen geloofde in een leven na de dood. De boeren waren arm en moesten hard werken, maar straks in de hemel zou alles beter zijn dan op aarde. De kerkleiders dreigden echter steeds met hel en verdoemenis en de meeste mensen waren dan ook erg bang om uiteindelijk naar de hel te gaan.

Het jaar bestond uit een aantal vaste rituelen. De eerste maanden van het jaar werden er vreugdefeesten gegeven. In januari werd de terugkeer van de zon gevierd. Men had de winter, traditioneel de tijd waarin veel mensen stierven, overleefd. Het werd warmer, de dagen werden langer en de tijd van schaarste was voorbij. Er werden vreugdevuren gestookt. Men geloofde dat de rook vruchtbaarheid bracht aan de velden. Ook het vee werd door de vlammen gedreven. Jongemannen sprongen door de vlammen en smeerden zich in met de as van het vuur. Op 6 januari oefenden de kleintjes alvast voor dit gebruik door over brandende kaarsjes te springen. Dezelfde gebruiken kent men overigens ook in Afrika als onderdeel van het initiatieritueel van jongen tot man. Alleen maken de jongens hier hun gezicht wit.

 

afrika

 

Het voorjaar stond geheel in het teken van nieuw leven. De gewassen kwamen op, er werd jong vee geboren en het werd duidelijk welke vrouwen er tijdens de wintermaanden in geslaagd waren om zwanger te worden. Nageslacht was belangrijk, omdat kinderen de plicht hadden voor hun ouders te zorgen als zij daar zelf niet meer toe in staat waren. De meeste aandacht ging echter uit naar de huwbare jongens en meisjes. Het was belangrijk dat jongens en meisjes binnen de eigen gemeenschap zouden trouwen, om de toekomst van de gemeenschap te garanderen. De ‘nieuwe mannen’ werden door de volwassen mannen door middel van initiatierituelen voorbereid op hun rechten en plichten als man, waarna zij aan het volk werden getoond. Daarna werden er activiteiten georganiseerd die gericht waren op de ontmoeting tussen jongens en meisjes. Bekend zijn nog het dansen rond de Meiboom en de verkiezing van de Mei- of Pinksterkoningin. Maar ook in ons huidige leven zien we nog verwijzingen naar die tijd. De kuikentjes en eieren met Pasen zijn het symbool voor nieuw leven. Termen als ‘lentekriebels’ en ‘vlinders in de buik’ verwijzen rechtstreeks naar de vrijages in het voorjaar en het is uiteraard ook geen toeval dat Valentijnsdag medio februari is gepland.

 

meiboom

 

In mei was het gedaan met de pret. De drukke tijd brak aan en de boeren moesten ’s morgens al vroeg aan de slag. We vinden dit nog terug in volksgebruiken als ‘Luilak’, ‘Luie motte’ en ‘dauwtrappen’. De eerstvolgende feesten vonden pas weer plaats na de oogst in augustus, maar dat waren wel de meest uitbundige feesten. Men vierde oogstfeesten in september, wijnfeesten in oktober en slachtfeesten in november. De ‘Oktoberfesten’ in Duitsland en Thanksgiving in Canada en de Verenigde Staten herinneren hier nog aan. De uitbundigheid van deze feesten had te maken met dankbaarheid voor de oogst en de plicht om de oogst met de gemeenschap te delen, maar ook met de angst voor wat ging komen. De winter was in aantocht.

In de herfst koelt het in Noord-Europa al flink af, terwijl Zuid-Europa zich nog koestert in een warme zon. Door de grote verschillen is de botsing van de verschillende luchtsoorten groter, en dit veroorzaakt actieve depressies. Gemiddeld genomen is het in de eerste helft van de klimatologische herfst (1 september tot en met 15 oktober) vaak nog rustig najaarsweer, maar halverwege oktober wordt de atmosfeer onrustiger en krijgen we met najaarsstormen te maken. Ik vertelde al dat onze voorouders geloofden in een leven na de dood. Zij meenden dat de sluier tussen hemel en aarde in het najaar het dunst was en dat dit door de najaarsstormen zichtbaar was.

Op 1 november (Allerheiligen) riep men de heiligen op om zich over de zielen van de overledenen te ontfermen. Op 2 november (Allerzielen) plaatsten nabestaanden bloemen op het graf van hun overledenen en werd in de kerk gebeden voor het zielenheil van individuele overledenen. Men geloofde dat de zielen van de overledenen zich in het vagevuur bevonden om te worden gelouterd en dat dit het tijdstip was waarop de zielen zouden gaan dolen, op zoek naar de weg naar het hiernamaals. We zien dit nog terug bij het ‘Pierepauwen’ op Vlieland, waar kinderen op 2 november, gekleed in een wit doodshemdje, met  lampions over straat lopen. Zij beelden de dolende zielen uit en ook de lampionoptochten met Sint Maarten hebben dezelfde betekenis. Dat dit geen typisch Nederlands bijgeloof is, kunnen we zien aan ‘halloween’ en aan de ‘dia de los muertos’ in Mexico.

 

lampionoptocht

 

Men geloofde dat een heilige vanuit de hemel naar beneden zou afdalen om de zielen te begeleiden op hun reis naar het hiernamaals. Die rol was, afhankelijk van waar men woonde, toebedeeld aan Sint Maarten of aan Sint Nicolaas. Maar niet alle zielen zouden in aanmerking komen voor een plekje in de hemel. Ook de duivel zou naar de aarde komen om de afgewezen zielen mee te nemen naar de hel. En dan waren er nog de zielen die weliswaar gereinigd waren door het vagevuur, maar die hun plekje in de hemel nog moesten verdienen door de heilige te ondersteunen in zijn taak. Zij zijn de voorlopers van onze huidige Zwarte Pieten, zwartgeblakerd door hun verblijf in het vagevuur en geknecht door de heilige Sint Nicolaas of de heilige Sint Maarten, want ook Sint Maarten werd vroeger vergezeld door Zwarte Pieten en in delen van België is dat nog steeds zo.

Het moet voor onze voorouders een zeer angstige tijd zijn geweest. Het werd vroeg donker en in een dorp waar de boerderijen ver uit elkaar staan is het dan ook echt donker. Straatverlichting bestond toen nog niet. Buiten liep de Sint met zijn geknechte zielen en de door hem verzamelde goede zielen, de duivel met de door hem verzamelde kwade zielen en als de oogst was tegengevallen, woonde er misschien ook nog wel een heks in de nabijheid. En dan waren er ook nog de zielen van de overledenen die nog niet geselecteerd waren voor een plekje in de hemel en die mogelijk wraak zouden willen nemen.

 

sint-nicolaas-en-krampuss

 

En dan breken de Twaalf Heilige Nachten aan, de nachten tussen 25 december en 6 januari. Aan het begin van deze periode worden de zielen geheiligd en begint hun reis naar het hiernamaals. Met Kerst zingen we niet voor niets: Stille Nacht, Heilige Nacht. De klokken op de begraafplaatsen worden van 21 december tot en met 31 december geluid, het zogenaamde Sint Thomasluiden. Ook het midwinterhoornblazen houdt verband met de aankondiging van de komende heiliging en kan worden vergeleken met het bazuingeschal bij het laatste oordeel. Halverwege de Twaalf Heilige Nachten maken we lawaai (tegenwoordig vuurwerk) om boze geesten die mogelijk ook hun weg naar de aarde hebben gevonden weg te jagen.

De hele situatie duurde dus twee maanden, van 1 november tot eind december. Sint Maarten en Sint Nicolaas zijn dan ook niet gebonden aan 11 november en 6 december, maar kunnen in deze gehele periode hun opwachting maken. Op Texel viert men Sinterklaas op 5 december, maar Ouwe Sunderklaas op 12 december en u moet ook niet raar opkijken als u op een kerstmarkt in Duitsland een Sinterklaas ziet lopen. De kerstman is ook een afgeleide vorm van onze Sinterklaas. In Nederland hebben we afgesproken dat Sint Nicolaas pas mag verschijnen als Sint Maarten weer is vertrokken. Op 6 januari (Driekoningen, het einde van de Twaalf Heilige Nachten) wordt gevierd dat de heiliging van de zielen succesvol is verlopen en de zon is teruggekeerd (de dagen worden langer).

 

sint-en-santa

 

Het is niet bekend of onze laat-middeleeuwse voorouders Sint Nikolaas en zijn knechten in een spel of processie uitbeeldden of dat zij slechts in hun verbeelding bestonden. De enige schriftelijke bronnen uit die tijd zijn afkomstig van kerken en daarin wordt slechts gesproken over de activiteiten die in de kerk zelf plaatsvonden. Monniken waren in die tijd doorgaans de enigen die konden schrijven. Uit Duitsland zijn er echter wel bronnen over de volksviering en omdat Nederland in die tijd kerkelijk onder het Aartsbisdom Keulen viel, werden Duitse kerk- en volksfeesten vrijwel altijd overgenomen. Het is daarom aannemelijk dat ook hier groepen met Sint Nicolaas en zijn knechten rondzwierven, zeker in het oosten en noordoosten van ons land. Die situatie zou in elk geval na de reformatie veranderen.

We maken nu een sprongetje naar de 17e eeuw. De uitoefening van de rooms-katholieke godsdienst was inmiddels door de calvinisten verboden en dat had ook grote invloed gehad op de wijze waarop het sinterklaasfeest werd gevierd. Sint Nicolaas had zich inmiddels ontwikkeld tot de brenger van geschenken, maar onder de calvinisten was het niet meer toegestaan om een heilige te vereren. Geschenken konden alleen van God komen. In delen van het Duitstalige gebied werd Sint Nicolaas vervangen door Christkindl, een vrouwelijke geschenkenbrenger die wel nog steeds werd ondersteund door een zwarte helper met roe. Goed en slecht, wit en zwart zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het kruis (op de mijter van Sinterklaas) en de roede (van Zwarte Piet) symboliseren ‘geloof en tucht’, een basisprincipe van de kerk.

 

christkindl

 

In Nederland bleef de viering in kleine besloten gemeenschappen vaak in stand. In de grote steden, waar de protestantse kerk meer invloed kon uitoefenen, verdween het openbare feest naar de huiskamers. Sint Nicolaas en de zwarte knecht versmolten hier tot één persoon, waardoor de twee-eenheid goed en slecht gehandhaafd bleef. Sint Nicolaas was soms een blanke man, droeg soms een masker en in Noord-Holland versmolten Sint Nicolaas en zijn zwarte knecht tot Zwarte Klaas.

 

zwarte-piet-met-schebil

 

Er zijn heel veel bronnen waarin Zwarte Klaas wordt genoemd. Het Sint en Pietengilde geeft een opsomming van een aantal van die bronnen. In De Joodsche Wandelaar, een weekblad tot Nut van ´t Algemeen uit 1792 staat een conversatie tussen Josef de Schoenlapper en Gijs de Kledermaaker. Gijs zegt hier:¨Mannen, wat hadden wij op Sinterklaas-avond een pret! Het was een klucht, om te zien, hoe bang mijne jongens waren, ha! ik moet er nog om lagchen, als ik er om denk; mijn wijf zelve, fchoon zij van de vonk wist, zou wel in een hoek gekropen hebben, zoo had ik mij toegetakeld, met lappen en vodden van allerhande kleuren, mijn bakhuis had ik zwart gemaakt, en ik rammelde zoo verfchricklijk met de ketting, dat het huis er van daverde; met een holle ftem vraagde ik, of er ook ftoute jongens waren? dat ik Sinter Klaas was, die nu reed, om naar jongens te zoeken, die niet wilden leeren, maar die, voor zoete kinderen, appelen, noten, kastanjes, en Sinterklaasgoed had. De kinderen kroopen in een hoek, en geen één hadt moeds genoeg, om Sinter Klaas een woord te antwoorden, maar moeder maakte het goed; zij zeide: Hoor Sinter Klaas! de kinderen zijn zoet, zij zijn wel eens eene enkele keer ftout geweest, en hebben niet naar fchool willen gaan, maar zij zullen ´t niet weêr doen, maar nu wel braaf leeren. Belooft ge dat jongens? zeide ik: Ja, lieve Sinter Klaas! riepen de kleinen, zonder dat zij op durfden kijken; we zullen zoet zijn. Zult gij vader en moeder gehoorzaam wezen? Ja, lieve Sinter Klaas! Och doet ons maar geen kwaad. Toen wierp ik een handvol noten en kastanjes, daar ging het op een raapen, en opzoeken! wat waren de jongens blijde. Nu het was te pijnewaard.

 

Joodsche wandelaar

 

Sinterklaas heeft hier dus een zwart gezicht en een ketting, die we kennen van Zwarte Piet. Uit andere bronnen blijkt dat Sinterklaas, als hij alleen optrad, was uitgerust met een zak en een roe. In alle gevallen was hij zowel de boeman als de goede Sint. Hij beloonde de gehoorzame en bestrafte de ongehoorzame kinderen. Sinterklaas kwam voortaan uit Spanje, waarmee werd verwezen naar het katholieke karakter van het feest. Spaans heeft dezelfde betekenis als het woord ‘paaps’. Voor de katholieken was het een woord met een positieve klank, terwijl het voor de protestanten een scheldwoord was. Toch vierden ook de meeste protestanten het sinterklaasfeest, al was dat veel ingetogener en kwam er geen maskerade met een heilige bij.

 

sint-slaat-alexander

 

Het sinterklaasfeest kreeg in deze tijd een heel andere betekenis omdat men niet meer geloofde in de duivel, het vagevuur en de hel. Andere sinterklaasgebruiken veranderden omdat zij door de calvinisten werden verboden of werden vergeten omdat het feest zich nu grotendeels in de huiskamers afspeelde. Deze veranderingen zal ik in een later artikel bespreken. Zij hebben geen waarde voor dit artikel, omdat zij niet gaan over de rol van Zwarte Piet.

We maken opnieuw een sprong in de tijd en bevinden ons nu aan het begin van de 19e eeuw. Dit is de Franse Tijd, de tijd van Napoleon Bonaparte. Hoewel de Fransen een bezettingsmacht waren, hebben zij ook veel goede dingen gedaan. Eén van die dingen was de Scheiding van Kerk en Staat. Hierdoor was het weer toegestaan om het rooms-katholieke geloof aan te hangen en veel kerken, die veel te groot waren voor de protestanten, werden aan de katholieken teruggegeven. Hierdoor was het ook weer toegestaan om heiligen te vereren en dus ook om het sinterklaasfeest te vieren. Het feest verplaatste zich hierdoor weer van de huiskamers naar de straat.

Kort daarna, rond 1820, komen we de eerste schriftelijke meldingen tegen waarin Sint Nicolaas wordt vergezeld door een zwarte knecht. We vinden in deze tijd echter ook nog steeds meldingen van afschrikwekkende Zwarte Klazen en ook van Sinterklazen die alleen optreden. In 1850 verschijnt het prentenboekje ‘Sint Nikolaas en zijn Knecht’ van de Amsterdamse onderwijzer en dichter Jan Schenkman. Het is het eerste boek dat volledig aan Sinterklaas is gewijd. De tekst bij de prenten is op rijm. De tekst van de eerste pagina is later op muziek gezet en kennen wij nu als het liedje ‘Zie ginds komt de stoomboot’. Het boekje gaat, zoals het een onderwijzer uit die tijd betaamt, over godsvreugd en deugd en over een Sinterklaas die het juiste gedrag beloont. Aan het eind van het boekje vertrekken Sint Nicolaas en zijn knecht met een luchtballon, een verwijzing naar het feit dat Sint Nicolaas oorspronkelijk uit de hemel was neergedaald.

 

sint-nikolaas-en-zijn-knecht-2

 

De knecht van Sint Nicolaas blijft in het boekje naamloos, maar hij wordt afgebeeld als een negroïde man in Oosterse kleding. In latere drukken zal hij de kleding van een Spaanse page krijgen. Schenkman heeft zich voor de illustraties in zijn boek laten inspireren door het schilderij ‘Groepsportret’ van Michiel van Musscher uit 1687.

In veel geschriften staat ten onrechte vermeld dat Jan Schenkman de bedenker is van Zwarte Piet. De naam Zwarte Piet wordt echter al in 1766 genoemd in een overzicht van benamingen voor geesten, spoken en duivels in het boek ´De bespookte waereld ontspookt. De duivel geroskamt en het Euangalie van den Spinnerok weerlegt´ van Paulantinus Philocalus (pseudoniem voor Willem Ockers). In het boek ´De Horoskooptrekker´ van D. Hanegraaff uit 1805 staat een passage, waarin graaf Karel in een schoorsteen kruipt om deze te reinigen en vast komt te zitten. Als Antje hem er aan zijn benen weer heeft uitgetrokken, verwelkomt zij hem met ´Ha, daar heb ik je, welkom, zwarte Piet!´. Ook zijn de afbeeldingen in het boek van Jan Schenkman niet de eerste Nederlandse afbeeldingen van Sint Nicolaas met een zwarte knecht. In 1840, dus tien jaar voor het verschijnen van ´Sint Nikolaas en zijn Knecht´, bracht G.J. d´Ancona een Sint Nicolaasbrief uit met binnenin een illustratie van Sint Nicolaas met een geketende zwarte knecht (bron: Sint en Pietengilde).

 

Nicolaasbrief dÁncona 1840

 

Door de wijze waarop de knecht in het boek van Jan Schenkman is afgebeeld is, bij mensen die denken dat Schenkman de bedenker is van Zwarte Piet, de misvatting ontstaan dat Zwarte Piet een zwarte slaaf is. Jan Schenkman was echter een prominent lid van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen, een organisatie die zich uitsprak voor de afschaffing van de slavernij. Als Schenkman de bedenker van Zwarte Piet zou zijn geweest, zou dat dus juist een duidelijke aanwijzing zijn dat met de zwarte knecht geen slaaf werd bedoeld. Urban legends over Sint Nicolaas die slaven bevrijdt zijn bovendien vrij recent ontstaan.

De voorstelling die Schenkman heeft gemaakt van de zwarte knecht is vooral ingegeven door de in die tijd geldende opvattingen over opvoeding. Volgens J.P. Basedow was het doel van alle onderwijs: wijsheid, deugd en geluk. Enkele specifiek door hem benoemde punten zijn dat men de deugd en de godsdienst aangenaam moet maken voor de jeugd en dat kinderen als kind moesten worden behandeld en niet als kleine grote mensen. De Nederlandse schoolwetgeving bewijst dat ook in Nederland de richtlijnen van Basedow werden gevolgd. Dat geldt uiteraard ook voor Schenkman, die behalve dichter immers onderwijzer was. Kinderen werden door de nieuwe richtlijnen niet langer gedreigd met hel en verdoemenis. Gehoorzaamheid en deugdzaamheid werden niet meer afgedwongen door kinderen bang te maken voor allerlei demonische figuren, zoals de Bullebak die kinderen in het water trekt, Baas Kinderschrik die leugenachtige jongetjes de tong afsnijdt en Moeder Kinderschrik die ongehoorzame meisjes opsluit in de rattentoren.

Het heeft er echter ook toe geleid dat wij beschikken over een zeer kindvriendelijke zwarte knecht met menselijke trekken, zeker nadat ook de roe is verdwenen. En daar zouden we eigenlijk heel blij mee moeten zijn, als we zien hoe de zwarte knecht zich in de ons omringende landen heeft ontwikkeld.

 

perchten

 

 

 

©Bert van Zantwijk

Overname van (delen van) dit artikel is uitsluitend toegestaan onder vermelding van de naam van de auteur en/of een link naar dit artikel.

 

Advertenties